Boerkini: over vrouwelijke esthetiek en anti-esthetiek

"The burkini makes it to Amasra", beeld door Charles Roffey [https://www.flickr.com/photos/charlesfred/], CC BY-NC-SA 2.0 [https://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/2.0/]
Facebooktwitter

 “Of leert u ook de natuur zelf niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? Maar

zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar tot een deksel haar

is gegeven?”

– 1Korinthiërs 11:14-15

 

Het boerkini-debat is een wazige afspiegeling van een fundamentelere kwestie over diepere, abstracte concepten vrouw en vrouwelijkheid. Het debat verzandt in het bijzonder lage abstractieniveau van de politiek. Concrete gedrags- en kledingvoorschriften die een wrang onbehagen jegens de boerkini moeten beantwoorden. De verwarring in het debat, en de armoede in de argumentaties langs beide kanten, suggereert dat de discussie op een veel te laag abstractieniveau resoneert.

De abstractieniveaus die boven dat van de politiek, i.e. de concrete gedragsregels waarmee we de interacties tussen personen in de samenleving vorm geven en leiden, resoneren zijn in opklimmende volgorde de ethiek, de epistemologie en de metafysica.

Dit essay focust op de ethiek, het abstractieniveau boven de politiek. De bedoeling is om het debat over de vrouwelijkheid binnen de interculturele misverstanden van de vroege eenentwintigste eeuw te verdiepen, en zo e aanzet te geven tot een terdege fundamentele discussie over beschaving, normen en waarden, los van holle politieke retoriek. Dit essay is ook bedoeld als inspiratie voor de uitbouw – of beter herontdekking en herwaardering – van de ethiek en esthetiek van het menselijk lichaam.

 

Ethica en esthetica: de drie aristoteliaanse naturen

Ethiek, en daarmee samenhangend in deze context esth-ethiek, behandelt het onderscheid tussen goed en fout. Esthetische regels, waarvan vestimentaire regels de stroomafwaartse afspiegeling zijn, reflecteren in die zin de ethica, als wetenschap der moraliteit. Aristoteles, en later de christelijke notie der schaamte van Adam en Eva, zou zeggen dat het loutere feit dat wij ons niet naakt in de Schepping begeven, ingegeven is door ons natuurlijke zelfbewustzijn. Het is “natuurlijk” en dus goed dat wij ons kleden (ethica) en moeten ons derhalve buigen over het vraagstuk hoe en in welke mate mij ons horen te kleden (esthetica).

Dit betekent geenszins dat een persoon die zich volledig bedekt ethischer handelt dan de bosmens in schaamlap, of dat een in nederige grijstinten gekleed persoon onethischer dan de keizer in zijn paarse toga zou zijn. Toch weerspiegelen vestimentaire keuzes, zeker als die stollen in vestimentaire gewoonten en gebruiken binnen een gemeenschap, een ethische dimensie. Aristoteles onderscheidt drie zulke “naturen”: vegetatief, dierlijk, en rationeel.

 

De bosmens in schaamlap heeft een vegetatieve natuur. Zijn kledij is louter functioneel, wellicht om zijn genitaliën te beschermen tegen insecten en infecties. Daarboven staat de dierlijke natuur. Dit is de natuur van het instinct en de driften, inclusief de voortplanting. Hierin resoneert een sterke chtonische traditie, zoals we die kennen in de Zuid-Amerikaanse populaire culturen: de nadruk op spannende jeans die de volle, ronde billen en ranke enkels en polsen moet benadrukken (a contrario: de Westerse “skinny jeans”, die de ongetrainde zwakte, de fragiliteit van de aseksuele consument benadrukt), de diepe decolletés, en het duchtige gebruik van make-up en sieraden om erfelijk interessante kenmerken zoals grote ogen, welgevormde oorschelpen, ranke halzen en polsen te benadrukken. Daarboven staat de rationele natuur. Dit is bijvoorbeeld de werk- en veiligheidskledij, de goedkope vrijetijdskledij of het strakke maatpak. Dit zijn kleren die weloverwogen concepten weerspiegelen. Het succes van denim jeans bijvoorbeeld is rationeel: het is een goedkope stof die massaal geproduceerd kan worden, comfortabel zit, makkelijk wasbaar is, en tegen een stootje kan. Toen Levi Strauss’ patent op de denim jeansbroek in 1908 verviel, was de romantisering van de avontuurlijke arbeider die zijn geluk in het Verre Westen ging beproeven al diep geworteld in de Amerikaanse samenleving. Met een jeansbroek kocht je dus niet alleen een gemakkelijk en functioneel kledingstuk, maar je kocht een concept: een hands-on lifestyle.

Die fout die velen maken, in de eerste plaats aanhangers van de Verlichting, is de valselijke idee dat de drie naturen van Aristoteles niet alleen aan mekaar ondergeschikt zijn – dat klopt – maar ethisch congruent zijn. Dat wil zeggen: een rationele ethica, ergo esthetica, ergo garderobe is ethischer, en dus beter, dan een dierlijke, die op zijn beurt beter is dan een vegetatieve. Dat is geenszins het geval. Volgens Aristoteles, en in zijn voetsporen het christendom, is de basis van een goed, deugdelijk en dus ethisch leven niet het uitblinken in rationaliteit, maar het uitblinken in mate. Zoals moed de deugdelijke middenweg is tussen lafheid en roekeloosheid, is er ook een deugdelijke middenweg tussen de vegetatieve, dierlijke en rationele natuur.

In dat opzicht kunnen we begrijpen waarom het toppunt van een rationele garderobe, de grijze en blauwe massa-geproduceerde Mao-pakjes, vrij is van elk esthetisch element. One size fits all. Unisex. De man die ontmand is (ontdaan van zijn mannelijke kenmerken) en de vrouw die haar vrouwelijke vormen wordt ontnomen door hen in een soort pyjama om te vormen tot Nieuwe Mens. Geen getailleerde lijn, die de borsten benadrukt, maar handige zakken voor gereedschap, die de plaats van de borsten niet alleen vestimentair en esthetisch, maar ook conceptueel vervangen: de vrouw (en de man) als werktuig, en bijgevolg de liefde als allocatie van schaarse middelen, en de liefdesdaad als productieproces. Het kind wordt niet langer gevoed door de memmen van zijn moeder, maar door de werktuigen van “de vooruitgang”. Zulke rationele kledij, zoals we die ook kennen van de “gemakkelijke, loszittende t-shirts”, is volgens de klassieke ethica geen goede, geen deugdelijke, geen ethische kledij. Net zomin het primitieve schaamlapje of de hoererij van de string dat zijn.

Allen vormen zijn een aanval op de aristotelische notie van zelfbewustzijn: het Mao-pakje ontkent het geslachtelijke zelfbewustzijn (de stap tussen “Ben ik een vrouw of een man?” en Primo Levi’s “Is dit een mens?” is snel gezet), stiletto’s met plateauzolen of absurd korte minirokjes ontkennen de functionaliteit van het persoonlijke gemak en comfort, ergo het zelfbewustzijn, en de bananenbladeren en twijgen waarmee de bosmens zich tooit ontkennen het fundamentele onderscheid tussen de Schepping en de Mens.

 

Publieke esthetica, private anti-esthetica

Die aristotelische notie van zelfbewustzijn door een gulden middenweg te bewandelen tussen deze trias van ondermaanse naturen lijkt afwezig in de Koran, of komt heel ambigue aan bod. Enerzijds wordt wel op aristotelische wijze geopperd dat vrouwen hun boezems horen te bedekken, anderzijds mogen ze hun schoonheid niet openlijk tonen (24:30). Terwijl er toch redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er heel wat ruimte en nuance ligt tussen de sensualiteit en esthetiek van het naakte vrouwenlichaam (die zeker bestaat en ook zijn waarde heeft) en het afschermen, en in weze dus ontkennen van de schoonheid, en dus het zelfbewustzijn van de vrouw. Men neigt dan te opperen dat de schoonheid van de vrouw slechts geopenbaard mag worden aan bepaalde “geprivilegieerden”, die in 24:30 worden opgesomd, zoals de echtgenoten en de kinderen die nog niet begeren. De vrouwelijke schoonheid, als ethisch en esthetisch ideaal is dus geen publiek goed, een morele norm waarin we ons moreel dienen te spiegelen, maar een privaat privilege. De vrouw bestaat als dusdanig dus enkel in de context van haar eigen huisgezin. Dat terwijl de Koran op meerdere plaatsen de deugdelijkheid van sieraden en prachtige kleurrijke gewaden prijst (7:31, 18:31, 76:21).

Dat is een zeer belangrijk onderscheid met bijvoorbeeld de klassieke en christelijke ethiek en esthetiek. Daarin is het publieke karakter van het vrouwelijke lichaam zeer sterk aanwezig. Klassiek geschoolde schilders en beeldhouwers moeten al sinds de Oudheid eerst de anatomische perfectie van het geïdealiseerde (en dus morele, goede) mannen- en vrouwenlichaam onder de knie krijgen, alvorens naar hun eigen muzen te luisteren. Studies van geometrische verhoudingen in het menselijk lichaam, spierweefsel en gebeente behoort tot de basis van de Schone (en dus morele, goede) Kunsten. Die traditie lijkt niet te worden gerechtvaardigd door de Koran. Wel integendeel. Een islamitische man die zich geroepen zou voelen tot de Schone Kunsten kan in principe enkel maar beroep doen op het lichaam van zijn gemalin of, in de vroege kindertijd, het lichaam van zijn moeder, zonder enige referentie. Als die vrouw niet gezegend is met de gratie en schoonheid die aan de esthetische norm beantwoordt, wordt zijn klassiek artistiek talent in de kiem gesmoord. Er is immers geen cultus van vrouwelijke schoonheid in de publieke ruimte aanwezig, waarmee hij aan de slag kan.

Vanuit dit perspectief kunnen we boerkini verklaren, en waarom dat bij sommigen mensen wringt, en bij sommige mensen, in de regel radicale Verlichtingsdenkers, heel wat sympathie opwekt.

 

Vrouwelijkheid en anti-vrouwelijkheid: liberale en islamitische raakpunten

Daar de vrouwelijke schoonheid volgens de Islam niet tot de publieke ruimte behoort en er dus geen vrouwelijke esthetica bestaat (esthetische normen zijn immers per definitie in de publieke ruimte) anders dan leefregels over gehoorzaamheid, devotie aan God en reproductie, is één verklaring van de boerkini. Een andere verklaring is de permanente toestand van kindsheid waarin de islamitische vrouw verkeert. Zij wordt als kind geboren, en wordt geacht wanneer zij geslachtsrijp is te trouwen en zich voort te planten, waardoor zij opnieuw in de kindsheid gedompeld wordt. Wanneer die kinderen op hun beurt geslachtsrijp zijn, vervult de moeder de rol van grootmoeder, en wordt zij opnieuw in kindsheid gedompeld, tot haar dood. Daar wij kinderen van volwassen onderscheiden door de ontwikkeling van uiterlijke geslachtskenmerken (voor vrouwen zijn dat borsten, brede heupen, ranke ledematen, grote ogen, hoge jukbeenderen)  die de rudimentaire, ik zou bijna durven stellen vegetatieve, klederdracht niet langer kunnen verhullen, is de Islam erop gebrand om de uiterlijke kenmerken die de kinderlijke context van hun vrouwen (inclusief hun rechts- en handelingsbekwaamheid) feitelijk (dus natuurlijk, dierlijk en rationeel) tegenspreken, te verhullen. Neen, een boerkini is niet praktisch in warm weer en een vochtige omgeving, zoals het strand. Maar dat het niet met zulke rationele argumenten strookt is net de bedoeling. Neen, een boerkini is geen bron van begeerte voor mannen. Maar dat het niet met zulke dierlijke argumenten strookt is net de bedoeling. Neen, een boerkini verhult niet enkel de geslachtsdelen uit fysische overwegingen. Maar dat het niet met zulke praktische argumenten strookt is net de bedoeling. De vrouw is immers  – als vrouw – niet in de publieke ruimte.

Om die reden springt de Verlichting graag in de bres voor de boerkini. Het “bevrijdt” de vrouw immers van haar gedetermineerde – en dus onvrijwillige, en dus verwerpelijke – precondities als vrouw. De boerkini schenkt vrouwen in het algemeen (dus niet enkel moslima’s) bescherming tegen de “verdrukkende” esthetische normen, die zij als een soort hardnekkige echo van verwerpelijke, conformistische tijden zien. Hoewel een boerkini bijvoorbeeld overgewicht niet verhult, bedekt het wel de schaamte voor dat overgewicht. Een boerkini kan immers wél verhullen of iemand een dikke man, dan wel een dikke vrouw is. Op die manier vormt het een anti-esthetisch schild tegen de – zowel door de Koran als de Bijbel – benadrukte schaamte, die eigen is aan de zondige mens sinds Adam en Eva. Aanhangers van de Verlichting verwarren die algemene verwarring graag met “bevrijding”.

Zo is het perfect begrijpelijk, en zelfs wenselijk en ethisch, dat een brandwondenpatiënt een badpak in plaats van een bikini draagt om zijn of haar brandwonden te verhullen. Hoe wel schaamte hier vaak mee gepaard gaat, wijkt het hoofdzakelijk af van de esthetische norm (een mooi persoon heeft een gave huid), en wordt daarom best uit de publieke ruimte gehouden. Hetzelfde geldt voor ontharing: de esthetische norm schrijft voor dat vrouwen hun benen en oksels scheren wanneer zij zich met ontblote benen en oksels in de publieke ruimte begeven. Daar er esthetische normen over oksels en benen bestaan en sinds de Oudheid in de schone kunsten worden weerspiegeld en bevestigd, zijn oksels en benen ook per definitie in de publieke ruimte. De esthetica van de beide menselijke geslachten zijn immers publieke goederen, en dus aan regels onderhevig. Dat is een notie die compleet in de islam lijkt te ontbreken, en in het Verlichtingsdenken zéker ontbreekt. Voor de moslim bestaat de publieke vrouw niet, voor de Verlichtingsliberaal gelden voor de vrouw, publiek of privaat, geen andere esthetische regels dan voor de publieke of private man, en bestaat er eigenlijk alleen maar de publieke en private “mens”. Unisex. Een mens die van al zijn onvrijwillige eigenschappen bevrijd moet worden, en dus ook van zijn esthetica.

Dit wil niet zeggen dat de persoon met brandwonden, of de vrouw met ongeschoren benen en oksels een slecht mens zouden zijn. Dat in geen geval. Maar men komt in die hoedanigheid, of beter gezegd, met die eigenschappen niet in de publieke ruimte. Dat is iets helemaal anders als de islamitische visie, waarbij vrouwen in de hoedanigheid van vrouw, met al hun vrouwelijke kenmerken, zich niet in de publieke ruimte mogen begeven. In dat opzicht is de boerkini, of eender welk islamitisch kledingstuk evenmin op te vatten als een esthetische “regressie”.  In de trias van ondermaanse naturen benadert het zelfs het ideaal van het rationele Mao-pakje: ook boerkini’s ontnemen individuen elke geslachtelijke esthetiek en eigenschap. Ook boerkini’s kunnen massaal en zeer efficiënt geproduceerd worden. In dat opzicht sluit de islamitische vrouwelijke anti-esthetiek nauw aan bij de rationele natuur. En zoals de aristotelische en christelijke ethiek en esthetiek ons leert, mogen we daar niet in ontsporen.

 

Conclusie: naar een herwaardering van de klassieke esthetica

Het esthetische vacuüm dat de Verlichting, of althans haar ontaardde liberaal-democratische variant, geschapen heeft moslima’s een publieke beleving van hun vrouwelijkheid ontnomen. In dat opzicht is de discussie of men de hoofddoek uit vrije wil draagt niet aan de orde. Een keuze, vrij of onvrij, veronderstelt twee alternatieven. Het alternatief voor de non-esthetiek, de esthetiek, is door de Verlichting bespot, beschimpt, aangevallen en vervolgens vernietigd. Daarvan getuige het eerste wapenfeit van de islamitische burgemeester van Londen: een verbod op slanke vrouwen in bikini in reclamecampagnes, dus in de publieke ruimte.

Waaraan kan de jonge (of minder jonge) zich nu spiegelen, als zij zich van zichzelf in haar hoedanigheid als vrouw bewust wordt? De islam reikt haar haar moeder en enkele verzen uit de Koran aan. De Verlichting reikt haar het grote niets. De Verlichting verwart de leegte met vrijheid. Zoals de natuurwetten der thermodynamica voorschrijven dat een vacuüm altijd door materie zal worden gevuld, hoeft het niet te verbazen dat de boerkini vandaag op onze Westerse, “bevrijde” stranden opduiken. De boerkini is dus geen probleem op zich, zoals we in een eerste reflex geneigd zijn te denken, maar een symptoom, een afspiegeling van een probleem dat zich stelt op een hoger abstractieniveau: de aanval op de esthetiek, en de ethiek van de vrouwelijkheid en de mannelijkheid.

De Mahrebijnse vrouwen die naar Europa kwamen in de jaren ’60, ’70 en ’80 lazen allemaal duchtig de Elle en de Marie Claire, en knipten de patronen uit die in deze tijdschriften werden aangeprezen. Zij namen dus enthousiast deel aan de publieke vrouw, de vrouwelijke esthetiek. Er was met andere woorden een cultuur de naam waardig waarin geïntegreerd kon worden. Geen “body-positivity”, geen “healthy at every size”. Van France Gall voor de tengere meisjes tot Dalida voor de ietwat kloekere, elegante oudere dame. Geen grote, liberaal-democratische leegte, voor wie geen lat laat genoeg kan liggen.

Daar plukken we nu de zure vruchten van. Willen we onze Westerse samenleving vrijwaren van de islamitische anti-esthetiek, moeten we onze esthetiek herontdekken. Laat ons gestalte geven aan een hernieuwd classicisme in onze Schone Kunsten, en definitief afscheid nemen van de ontaarde “hedendaagse” kunst, die het menselijk lichaam tot nihilistische pennentrekjes en borstelveegjes heeft herleid. Laat ons bouwen aan een nieuwe publieke beeldhouwcultuur, waar de vrouwelijke sensualiteit en mannelijke kracht centraal staan. Laat ons onze dikkerdjes naar de fitness sturen, onze onfortuinlijke lelijke eendjes restylen en onze moedwillige lelijkerds in de psychiatrie dumpen. Laat ons de kapotte, gebleekte jeansbroek en de wijde t-shirts in de container voor de derde en vierde wereld dumpen. Laat ons definitief afscheid nemen van het nihilisme en de vestimentaire democratie, en opnieuw de Schoonheid uitdragen in ons hart, en om onze ledematen. Laat ons terug mooi zijn, en anderen inspireren om in die Schoonheid te delen, en de anti-esthetiek zal van onze stranden en uit onze straten vanzelf verdwijnen.

Facebooktwitter

Be the first to comment on "Boerkini: over vrouwelijke esthetiek en anti-esthetiek"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten