In de bres voor Schauvliege: bomen kappen als basis van goed bosbeheer

Foto door Nicholas A. Tonell [https://www.flickr.com/photos/nicholas_t/9660892548], CC BY 2.0 [https://creativecommons.org/licenses/by/2.0/]
Facebooktwitter

Vlaams Minister voor Omgeving Joke Schauvliege kwam vorige week zwaar onder vuur te liggen toen ze zich liet ontvallen dat een “boom altijd de functie heeft gehad om gekapt te worden.” Wellicht een ietwat ongelukkige formulering in tijden van hypergevoeligheid en trigger warnings, maar de minister raakt wel aan de essentie van het natuur- en bosbeheer. En bij uitbreiding aan elk beleid aangaande schaarse goederen.

In een eerste deel zal ik die uitspraak kaderen binnen de methodologie die nodig is om een werkbaar bosbeleid uit te bouwen. In een tweede deel zal ik die methode toepassen om de kost en effectiviteit van het Vlaamse bosbeleid te verklaren, en om het Vlaamse beleid met enkele buurlanden te vergelijken.

 

Kappen = waarderen

Om schaarse goederen te beheren moeten we ons bewust zijn van de waarde van die goederen, en van de kosten die nodig zijn om die goederen te beheren. Als we die goederen niet of slecht prijzen, zullen we fouten maken in het beheer, en dus genadeloos falen. En zoals dat voorlopig met de aarde het geval is: we hebben geen tweede kans.

Een bos is – in de regel – een common pool resource. Dat wil zeggen dat het een rivaliserend goed is (als ik een boom kap, kan jij hem niet meer kappen en hij kan in de regel niet opnieuw geplant worden) dat bovendien niet uitsluitbaar is (het is héél duur om een muur rond een bos te bouwen en dat bos te bewaken). Als we dus aan bosbeheer willen doen, moeten we ons een beeld kunnen vormen van de waarde die een boom heeft voor de rivaliserende economische actoren, en daarop geënt, de waarde en kost van degelijke uitsluiting van bepaalde (of alle) actoren.

Het waarderen van bomen is niet eenvoudig. Er zijn vooreerst verschillende soorten bomen met verschillende eigenschappen. Sommigen zijn groot, anderen klein. Sommigen hebben veel bladeren, anderen weinig. Sommigen bestaan uit hardhout, anderen niet. Verschillende houtsoorten hebben ook een verschillende kleur en textuur, en niet elke boom heeft dezelfde kwaliteit als de soortgenoot die er pal naast staat.

Bovendien hebben wij als economische actoren verschillende verlangens die door bomen, of door bepaalde componenten van die bomen kunnen worden bevredigd. Als ik honger heb, zal ik mij tot een vruchtdragende boom moeten wenden. De kegelvruchten van coniferen zijn immers niet eetbaar. Als ik een huis wil bouwen, zal ik een andere boom moeten omkappen dan wanneer ik brandhout nodig heb om mij te verwarmen. Als ik beschutting wil zoeken tegen de weerelementen, zoek ik een boom met een dicht bladerdek dat laag genoeg bij de grond hangt. Enzovoort.

Het prijsmechanisme is de beste manier om de beschikbare en diverse schaarse bomen en de verschillende verlangens in de samenleving met mekaar in overeenstemming te brengen. Op die manier wordt het calculatieprobleem (i.e. de waardering van een veelheid aan complexe goederen, diensten en verlangens) onvolledig, maar zo goed als mogelijk opgelost. Als we dan een prijs, of beter een monetaire waarde kunnen plakken op een boom of een bos, hoeven economische actoren zich enkel te focussen op het bedrag, en hoeven zij niet alle informatie over de eigenschappen van de boom te onderzoeken alvorens een bod uit te brengen. Als ik een houten keukentafel koop, geeft de prijs mij een bij benadering goed beeld van de eigenschappen van het gebruikte hout. Bovendien zijn prijzen belangrijk voor economische actoren om over te gaan tot consumptie, of die consumptie uit te stellen. Als de houthandelaar plots zijn prijzen verhoogt, zal ik worden geïnformeerd dat ofwel de vraag is gestegen, of het aanbod is gedaald, of dat de service is verbeterd, etc. Die prijsfluctuatie zal mij aansporen om alternatieven te zoeken of, als ik denk dat de prijs in de toekomst nog meer zal stijgen, die houtsoort snel aan te schaffen. Dit is op zijn beurt dan weer een prikkel voor andere economische actoren om ofwel mijn zoektocht naar goedkoper hout te bevredigen, of – zoals natuurverenigingen doen – de boom hoger te waarderen dan het kapbedrijf, om het op die manier te redden van de kap.

Kortom, als Schauvliege zegt dat “een boom altijd de functie heeft gehad om gekapt te worden”, bedoelt ze niet dat alle bomen moeten gekapt worden, maar dat bomen en hun eigenschappen moeten gewaardeerd worden volgens hun economische nutswaarde (of dat nu als kaphout of als levende boom is), en die waardering noodzakelijk is om van een degelijk bosbeheer te spreken. Historisch gezien is elke bos in Vlaanderen ooit gekapt, en zijn de bestaande bomen, zelfs de oudste, relatief recent geplant. Een bos kan dus, zoals het altijd al gedaan heeft, ergens anders verrijzen dan het voorheen stond. Schauvliege bedoelt dus – terecht – dat de beleidsfocus niet moet liggen op het voorkomen van boskap, maar op het beheer van het bosaanbod, zodat er in de toekomst blijvend gebruik kan worden gemaakt van bomen, waaronder via de kap. Laat ons niet vergeten dat de Waalse Ardennen een hoofdzakelijk artificieel aangeplant bos, met de intentie om gekapt te worden voor de uitbouw van de Oostenrijkse vloot in de achttiende eeuw.

Hoeveel een boom, een bos, en het onderhoud ervan precies kost is ontzettend belangrijk in het bepalen van beleidsdoelstellingen. Zo weten we uit onderzoek van Peter Van Gossum van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) dat de net present value van bebossing van landbouwgrond groter is dan andere vormen van bebossing, zoals aanplantverplichtingen opleggen aan private boseigenaars. Door de verschillende kosten en baten tegen mekaar af te wegen weten we dus dat we ons beleid moeten enten op de herbestemming van landbouwgrond, eerder dan op “green procurement”-deals met private boseigenaars. Als we zonder die data aan beleid zouden moeten doen, liepen we het risico om meer tijd en middelen te investeren in slecht bosbeheer. We zouden dan misschien veel tijd en middelen steken in stroeve onderhandelingen met boseigenaars, terwijl we hapklare deals met boeren uit handen geven aan bijvoorbeeld vastgoedontwikkelaars. Nu weten we tenminste waar de yields het hoogst liggen aan de laagste prijs. Dat is een cruciaal inzicht voor zowel de overheid, als de natuurliefhebbers.

 

Prijzen en bosbeleid

Dankzij het prijsmechanisme zijn we niet alleen in staat om aan bosbeheer te doen, maar ook om ons bosbeheer te vergelijken met bosbeheer in andere landen. Oppervlaktematen en boomsoorten zijn immers overal gelijk, en monetaire eenheden kunnen eenvoudigweg worden gesubstitueerd.

Zo kunnen we bijvoorbeeld zien dat het beheer van publieke bossen in Vlaanderen 66.74 euro per hectare per jaar aan overheidsmiddelen kost. Voor private bossen ligt die prijs op 7.84 euro. Bovendien kost de aanplanting van nieuwe bomen in het Vlaamse gewest 6.62 euro per hectare per jaar.

Als we die cijfers vergelijken met ons dichtste buurland Wallonië valt onmiddellijk een groot verschil op: daar kost het beheer van publieke bossen slechts 12.03 euro per jaar per hectare aan overheidsmiddelen. Privaat bosbeheer wordt er slechts voor 1.60 euro per hectare per jaar gesubsidieerd, terwijl nieuwe aanplantingen onder de taalgrens nog geen anderhalve euro kost.

Het lijkt alsof Wallonië, toch een dicht bebost gebied in vergelijking met Vlaanderen, haar bosgebied efficiënter beheert dan Vlaanderen. Spelen hier louter schaaleffecten? Wordt bosbeheer goedkoper als er meer bos is? Dat zal ongetwijfeld een rol spelen, maar een grondigere studie van de cijfers geven een enigszins genuanceerder beeld.

België heeft een zogenaamde bosindex 24.9 %. Dat betekent dat bijna een vierde van de oppervlak van België uit bos bestaat. Daarmee zitten we in de Europese middenmoot en moeten we slechts 5 Europese landen voor ons dulden. Landen met een groene reputatie zoals Denemarken en Ierland doen met resp. 19.6 en 15.2% beduidend slechter. Nederland, samen met België het dichtst bevolkte land van Europa, haalt slechts een bosindex van 14.4%.

Van de dichtstbevolkte landen van Europa scoort België dus onmiskenbaar het best. Al moeten de regionale verschillen wel in acht genomen worden. De Vlaamse bosindex is een schrale 10.8%. De Waalse 32.3. Dat heeft natuurlijk ook te maken met de schaarste van de beschikbare oppervlakte om aan effectief bosbeheer te doen. De implosie van de Waalse economie in de jaren ’70 en ‘80 heeft de prijzen van de grond, vooral buiten de steden, zwaar onder druk gezet, waardoor Wallonië goedkoper private grond heeft kunnen aankopen om aan bosbeheer te doen. Dat weerspiegelt zich niet alleen in goedkoper beheer per hectare per jaar, maar ook aan een grotere publieke participatie. In Wallonië is ruim 50% in handen van de regionale of lokale overheden. In Vlaanderen is dat slechts 30%.

Ondanks dat de Waalse overheden een sterkere greep hebben om hun bossen en die bossen bovendien aanzienlijk goedkoper kunnen beheren en uitbreiden is het totale bosareaal in Vlaanderen de laatste jaren toch sterker toegenomen dan in Wallonië, zelfs in absolute cijfers. Hoe kan dit? De Vlaamse bossen zijn ontzettend gefragmenteerd en geïsoleerd, en voor 70% in handen van private eigenaars. Dat zou niet alleen moeten betekenen dat het duurder is voor de overheid om met al die partijen te onderhandelen en tot overeenkomsten te komen (de helft van de Vlaamse bossen heeft een oppervlakte van minder dan 5 hectare), het zou ook moeten betekenen dat de overheid al de handen vol heeft met het beheer van de bestaande bosoppervlakte alleen al.

Het relatieve succes van de Vlaamse aanplantingen (+ 6% sinds 2000, + 1% sinds 1990) is net te wijten aan die schaarse oppervlakte, en de hoge bevolkingsdichtheid. Die hoge bevolkingsdichtheid heeft de grondprijzen gevoelig opgedreven. Boomeigenaars werden dus geprikkeld om het beheer en de opbrengsten van hun onroerende goederen te verbeteren. Die prikkels waren minder intens dan in Wallonië, waar de grond gevoelig goedkoper is, en er minder concurrentie om land speelt. Bovendien betekent dat het diffuse boseigenaarschap in Vlaanderen de concurrentie tussen boseigenaars onderling heeft aangewakkerd, terwijl het aantal private boseigenaars in Wallonië proportioneel beduidend lager ligt.

Dat heeft geresulteerd in een bijzonder productief bosareaal. En het succes van die productiviteit heeft dan weer de vraag naar productief bosareaal vergroot.

In 2015 werden door privébedrijven 160.000 bomen aangeplant in het Vlaamse Gewest, goed voor 82.500 kubieke meter industrie- en brandhout en voor een waarde van ruim 2,5 miljoen euro. Dus als Schauvliege zegt dat bomen altijd al de functie gehad hebben om gekapt te worden, dan verwijst ze naar deze cijfers, en de achterliggende logica: het is de zoektocht naar hoogwaardig hakhout dat een drijvende kracht is achter succesvol bosbeheer en de uitbreiding van bestaand bosareaal.

Als we Vlaanderen vergelijken met onze buurlanden is het plaatje nog mooier: Frankrijk betaalt bijna het dubbele van Vlaanderen om haar bossen te beheren, terwijl het privaat eigenaarschap even diffuus is, en de bosindex dubbel zo hoog ligt. Bovendien is de boekwaarde van de Franse bossen het laagst in vergelijking met de buurlanden. De grondprijzen en concurrentie tussen boseigenaars onderling speelt nog minder dan in Wallonië, ook al hebben de overheden slechts 25% van de Franse bossen in handen. Franse bossen zijn in de regel groter dan Belgische. Er zijn dus minder eigenaars die grotere stukken bos beheren, waardoor er onvoldoende prikkels zijn om het bosgebruik te optimaliseren, zoals in Vlaanderen. Het hoeft niet te verbazen dat Frankrijk niet alleen de laagste boswaarde heeft (ondanks dat het land voor 28% met bossen bedekt is), maar ook dat het totale bosareaal in vergelijking met andere landen, en bovenal Vlaanderen, gevoelig is achtergebleven.

Nederland tenslotte is het dichtstbevolkte land van Europa. Ondanks die hoge bevolkingsdichtheid is het er toch in geslaagd om bijna 50% van haar bosareaal in publieke hand te krijgen en te houden. Daarvoor betaalt het wel een hoge prijs: met 170 euro per hectare per jaar betaalt het bijna 7 maal zo veel als Vlaanderen, dat ook slechts 10% bosareaal telt, en met een privaat aandeel van 70% met hogere transactiekosten heeft af te rekenen. Minstens even hallucinant: aan slechts een vijfentwintigste van de kostprijs per hectare per jaar heeft Wallonië evenveel nieuwe aanplantingen verricht als Nederland.

Als we dus de productiviteit en waarde van het bosareaal, alsook het diffuus privaat eigenaarschap in acht nemen, en dus de realiteit van de kostprijzen incalculeren, zit Vlaanderen in de kop van het Europese peloton.

Een Waals bos is dan weer de meest efficiënte houtproducent, ondanks dat de boekwaarde van een Vlaams bos gevoelig hoger ligt en er meer houtconcurrentie in Vlaanderen is. Ook dat valt eenvoudig te verklaren vanuit een prijzenlogica: Vlaanderen heeft veel minder bos, dat door het gefragmenteerd en diffuus karakter veel duurder in beheer is, ook voor private spelers, en dus minder winstgevend. Die fragmentering en dat diffuus eigenaarschap verklaren ook waarom er in Vlaanderen meer boswetgeving is: terwijl Wallonië rustig verder bouwt op de bestaande Code Forestier van 19 december 1854 is er op het Vlaamse Gewest veel meer electorale druk om het schaarse en diffuse bosareaal strenger te regelen. Die regelgeving jaagt Vlaamse boseigenaars en –uitbaters op kosten. Dus tegenover de winstgevendheid van de Vlaamse bossen staat een enorm hoge “compliance cost”, terwijl die in Wallonië veel lager ligt.  Wie de luxe van een bosindex van 30% heeft, zal niet met een regelgevende “overreach” worden geconfronteerd.

Het is maar de vraag of een totale betonstop tegen 2020 (of 2050), die de grondprijzen nog meer zal verstoren en artificieel hoog houden dan het bestaande ruimtelijke ordeningsrecht, de kosten voor Vlaamse bosondernemers niet zodanig zal opdrijven, dat hun hoge yields volledig zullen verdwijnen. Een kruik gaat maar te water tot zij barst. Of is dat misschien de bedoeling van de beleidsmakers?

 

Conclusie

Minister Schauvliege heeft gelijk wanneer zij oproept om een boom te waarderen als een economisch goed in al zijn facetten. Dat hoogwaardig kaphout in Vlaanderen waardevoller is dan recreatiebossen of compensatiegebieden, noopt ons afstand te nemen van het groen populisme dat bosbeheer uit de hengsels van de economische en budgettaire realiteit wil halen. Diffuus, privaat en competitief eigenaarschap heeft het Vlaamse bosareaal gevoelig uitgebreid en geoptimaliseerd, zodat het Vlaamse gewest enerzijds de kosten onder controle heeft kunnen houden én tegelijk de regelgeving heeft kunnen verstrengen in vergelijking met de buurlanden. Vlaanderen bewijst dat een performante bosmarkt, met een veelheid aan stakeholders, een noodzakelijke voorwaarde, eerder dan een bedreiging voor een performant bosbeheer is.

Dit onderscheidt Vlaanderen van regio’s met grote boscrisissen, zoals het Amazonegebied, waar een gebrek aan schaarste enerzijds de vestiging van private eigendomsrechten bemoeilijkt, en anderzijds efficiënt bosbeheer ondermijnt.

Facebooktwitter

Be the first to comment on "In de bres voor Schauvliege: bomen kappen als basis van goed bosbeheer"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten