1 mei: het Feest van Sint-Jozef Arbeider vanuit liberaal-conservatief oogpunt belicht

Facebooktwitter

Getijdengebed:

“God, Gij hebt de mens geschapen en de arbeid tot wet van zijn leven gemaakt. Wij vragen dat wij, naar het voorbeeld van de heilige Jozef, mogen beantwoorden aan uw opdracht en loon naar werk ontvangen. Door onze Heer Jezus Christus die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen. Amen.”

 

Op 1 mei viert de Katholieke Kerk het Feest van Sint-Jozef Arbeider. Deze “facultatieve gedachtenis” werd door Paus Pius XII in 1955 ingesteld om de sociale leer van de Kerk, en haar bijzondere bezorgdheid om de grieven van de arbeiders te benadrukken.

Het tijdskader is niet toevallig. Na de Tweede Wereldoorlog namen communistische partijen – ook in West-Europa – deel aan verscheidene regeringen van Nationale Eenheid. In het decennium na de Oorlog werden niet-communistische partijen in het Oostblok, waaronder belangrijke katholieke bastions als Polen en Hongarije, gemarginaliseerd en uiteindelijk uitgezuiverd. West-Europa kwam dan weer onder steeds nadrukkelijke invloed van het kapitalistische – en protestantse – Amerika.

Met de sluiting van het Warschaupact in 1955 en het bijzondere succes van communistische politieke en syndicale organisaties in Italië, voelde Rome zich genoodzaakt om een katholiek antwoord te formuleren op bepaalde verzuchtingen binnen de Europese arbeidersklasse en het wereldproletariaat.

Vanaf dat moment werd de sociale leer van de Kerk gekoppeld aan de figuur van de Heilige Jozef, wier nagedachtenis voorheen relatief beperkt gebleven was tot zijn hoedanigheid als lid van de Heilige Familie, en als voedstervader van Christus. Zijn hoedanigheid als arbeider – hoewel een timmerman naar Bijbelse en huidige maatstaven in de regel een kleine artisanale zelfstandige is – werd voorheen hoegenaamd niet belicht.

In dit essay zal ik trachten een liberaal-conservatieve analyse te maken van de sociale leer van de Kerk zoals zij zich na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde, in het bijzonder een aantal interne contradicties en het gebrek aan een degelijke visie op ondernemerschap, en de rol van kapitaal. Tenslotte zal ik ingaan op hoe deze benadering de ondernemer en investeerder tot een breuk met Rome gedwongen heeft, en waarom dat een kapitale vergissing is geweest, zowel in hoofde van Rome als in hoofde van de kapitalisten.

 

  1. Jozef: een geforceerde recuperatie

Met de sociale leer en de figuur van de H. Jozef in het bijzonder heeft Rome getracht het historisch materialisme en haar hegeliaanse grondslagen te ontkrachten door te wijzen op het fundamentele gebrek aan een metafysische en epistemologie dimensie die ten grondslag ligt aan (schijnbare) klassentegenstellingen. Kort gezegd abstraheert de Kerk de arbeid tot iets fundamenteler dan zijn loutere materiële, politieke dimensie en ontmaskert zij – volkomen correct – het socialisme als een vervreemding van de arbeider van zijn arbeid. Tegenover de materiële simplificatie van de arbeider als radertje binnen een nationale, geplande huishouding, plaatst de Kerk de abstractie van arbeid als individueel zinvol en deugdzaam doel van de mens, in de belichaming van de Heilige Jozef.

Wie de encyclieken dienaangaande bestudeert, valt meteen het gebrek aan Evangelische basis op om de H. Jozef als arbeider – de betrachting van 1 mei – gestalte te geven. Verwijzingen naar Jozef zijn schaars, en naar zijn professionele hoedanigheid nog schaarser.

Marcus en Johannes vermelden hem niet eens. Marcus noemt Christus steeds “de zoon van Maria” (6:3), terwijl patroniemen gangbaar zijn. De enige verwijzing naar het beroep van timmerman die Marcus ons biedt gebruikt hij in een context die verwijst naar Jezus zelf, niet naar zijn voedstervader (6:2-3). Ook de brieven van Paulus – de oudste evangelische teksten – besteden uitgebreid aandacht aan de Moeder Gods, maar reppen met geen woord over Jozef.

In de evangelies van Mattheüs en Lucas wordt Jozef wél bij naam vernoemd, maar hij is een passief achtergrondfiguur. Het enige lid van de Heilige Familie die niets zegt en slechts uitvoert wat hem door anderen wordt opgedragen (Matt. 1:18-24 en 13:53-55). Bovendien beschrijven Mattheüs en Lucas volkomen tegenstrijdige genealogieën van Jozef.

Daar van Jozef geen sprake meer is na het Paasbezoek aan de Tempel, doet vermoeden dat Jozef tussen Christus’ 12e levensjaar en zijn meerderjarigheid komt te overlijden.

Sterker nog: het is betwistbaar dat Jozef effectief een timmerman was. Het Griekse woord “teknon” (τέκτων), dat slechts eenmalig door Mattheus wordt gebruikt om Jozef aan te duiden (13:55) moet wellicht niet binnen zijn Griekse betekenis als timmerman of “technisch geschoolde arbeider” begrepen worden, maar binnen de talmudische betekenis die overeenstemt met het Hebreeuwse “naggar”, iemand die belezen is en de Torah grondig bestudeerd heeft. Dat de bouw van tempels aan Torah-geleerden werd voorbehouden, legt de historische link tussen geleerde en timmerman.

Het is dus goed mogelijk dat H. Jozef geen gewone timmerman was, maar een bepaalde belangrijke religieuze functie bekleedde binnen de joodse gemeenschap van Nazareth. Wellicht die van een soort koster.

Concrete bewijzen voor het “arbeiderschap” van Sint-Jozef zijn er dus niet. Om deze reden bleef zijn verering beperkt tot zijn hoedanigheid van voedstervader van Christus. Zijn ietwat geforceerde recuperatie als arbeider steekt pas de kop op in de jaren na de Tweede Wereldoorlog en valt volledig terug te brengen op het ambigue woordje “teknon”.

 

Laborem Excercens

In het Tweede Vaticaans Concilie, dat zich onder het pontificaat van Johannes XXIII buigt over diepere exegese van het Evangelie om de nieuwe uitdagingen voor de Kerk te bespreken, wordt H. Jozef slechts terloops vermeld, wellicht om voornoemde redenen.

Pas onder het pontificaat van de Poolse Johannes Paulus II neemt de aandacht voor H. Jozef in zijn hoedanigheid van arbeider gestaag toe. Johannes Paulus II heeft een bijzondere band met het communistische Polen en haar vakbewegingen. Eind jaren ’70, begin jaren ’80, wanneer de Poolse bevolking het Sovjet-Russische juk begint af te werpen, voelt de paus zich genoodzaakt om een “alternatief” te bieden voor de marxistische klassenanalyse.

Jozef wordt geframed als arbeider en Christus wordt benadrukt als arbeiderszoon (Joh. 15:1) die zich tussen de vissers en de boeren begeeft. Apostel Paulus’ hoedanigheid als tentenmaker wordt onderstreept en de (schaarse) verwijzingen in het Nieuwe Testament naar de arbeidsdeugden (2 Tess. 3:7-12) wordt aangehaald.

Hij wacht niet tot de honderdste verjaardag van Rerum Novarum in 1991 en schrijft in 1981 zijn encycliek “Laborem Excercens”, waarin hij de positie en de rol van de arbeider in het moderne productieproces, zoals aangegeven in Rerum Novarum, verder uitwerkt. Deze encycliek moet dan ook gelezen worden als een steunbetuiging aan de opstand van de Poolse arbeiders en bijgevolg, eerder dan een uitgewerkt economisch traktaat. Een Rooms visitekaartje aan de arbeiders van de Sovjet-Unie en de landen van het Warschaupact.

Inderdaad, de economische inzichten van de Paus in “Laborem Excercens” getuigen van weinig economische kennis. Allerhande concepten worden gelanceerd – zoals het begrip “waardig werk” – zonder een degelijke definitie of (morele) implicatie. De eigendomstheorie van Aquino en de Scholastieke iustum pretium-leer (de epistemologische precursor van het prijsmechanisme) worden behouden, maar omzwachteld in holle retoriek van sociale rechtvaardigheid en aldus afgezwakt.

Zo opent de Paus in artikel 15, dat nochtans begint als een pleidooi voor private eigendom, de mogelijkheid tot de nationalisatie van de productiemiddelen (§6), nochtans een basiseis van de communisten. Hij stelt evenwel dat dit niet voldoende is opdat de “socialisering” (een begrip dat niet wordt gedefinieerd) op een correcte wijze gebeurt. Wellicht bedoelt hij dat de nationalisering van de productiemiddelen niet per definitie in het belang van de arbeiders in. Een overbodig statement. Zelfs Lenin wees hierop (zie het Verenigingscongres van Stockholm 1906 en de NEP) en het is ondenkbaar dat, zeker anno 1981, ook maar één arbeider in het Oostblok een andere mening was toegedaan.

Zijn pleidooi staat bol van de halfslachtigheid. Enerzijds is het eigendomsrecht niet absoluut (en misschien zelfs helemaal niet wenselijk), anderzijds is nationalisering geen oplossing. Waarom het eigendomsrecht zou moeten worden ingeperkt, of waarom nationalisering geen oplossing zou zijn, wordt niet verklaard. Het lijkt alsof de Paus zich krampachtig, niet gespeend van enig economisch inzicht, koste wat het kost wil afzetten tegen het kapitalisme en het socialisme, en een eigen plaatsje “inter utrumque” wil opeisen. Een bijzonder geforceerde denkoefening.

Voor mensen met diepere economische inzichten – zowel kapitalisten als socialisten – heeft de sociale leer van de Kerk dan ook weinig om het lijf.

 

Een praxeologische visie op arbeid?

Toch vallen een aantal zaken op. Zo dragen bepaalde passages duidelijk een scholastiek, bijna praxeologisch parfum:

“Arbeid betekent iedere activiteit die door hem ontplooid wordt, d.w.z. “menselijk handelen”, onder zoveel vormen van activiteit waartoe de mens in staat is en waartoe hij, krachtens zijn menszijn, van nature geneigd is.”

Alsook:

“Arbeid is een goed voor de mens omdat de mens door zijn arbeid niet alleen de natuur omvormt door ze aan zijn behoeften aan te passen, maar ook zichzelf als mens vervolmaakt, en in zekere zin meer mens wordt.”

De nadruk op arbeid als élk menselijk handelen is bijna een letterlijke parafrase van het Oostenrijkse handelingsaxioma en een uitdrukkelijke afwijzing van de historisch-materialistische “enge” definitie van arbeid als een loutere productiefactoren in een productieproces. Dat elk keuzeproces gestalte geeft aan de betrachting van het individu om een concrete behoefte te bevredigen met de beschikbare schaarse goederen, bestendigt niet alleen het methodologisch individualisme, maar emancipeert keuzeprocessen ook uit haar carcan als loutere productiefactor. Dit is een bijzonder grote toenadering naar liberale – zelfs Oostenrijkse – economische inzichten.

Wat Johannes Paulus II “de dwaling van het economisme” noemt, sluit dan weer naadloos aan op het socialistisch calculatieprobleem, zoals uitgewerkt door Hayek. In artikel 13 lezen we:

“De dwaling van het materialisme gaat uit van het primaatschap der materiële dingen, terwijl alles wat geestelijk en persoonlijk is rechtstreeks of zijdelings ondergeschikt wordt gemaakt aan materiële dingen.”

Een socialist zou opmerken dat de Kerk hier geringschattend doet over de materiële positie van de arbeider, en zijn materiële achterstelling onder een moralistisch tapijt probeert te vegen ten bate van het kapitaal. Een kapitalist leest hier echter een substantiële aanval in op de premisse van het marxisme dat de materiële positie van de arbeider het doel van de arbeid is. Zo kan een fabriek honderdduizend paar schoenen produceren, terwijl deze arbeidskrachten en dit kapitaal had moeten worden ingezet om het land te bewerken, of hospitalen te bemannen. Tot op heden worden in Rusland hangars “ontdekt” met duizenden paren schoenen die werden geproduceerd los van enige concrete vraag naar schoenen op een bepaalde plaats. Men moet altijd eerst uitgaan van de onbevredigde verlangens binnen de samenleving vooraleer men met zijn arbeid aan de slag kan gaan. Om die verlangens te lezen, hebben we ondernemers nodig. Een overheid, die met alle noden en prikkels rekening moet houden, kan zo’n diffuse en complexe informatie nooit verwerkt krijgen. Arbeid is de fysieke kracht, maar ondernemerschap is de vector die de arbeid in beweging brengt en zin geeft. Dat heeft Rome niet begrepen.

Opvallend is deze passage uit artikel 26, die de spirituele waarde van arbeid behandelt:

“Het goddelijk plan is door arbeid tot grotere rechtvaardigheid te komen, een betere medemenselijkheid en een meer humane ordening in de sociale verhoudingen.”

In wezen is dit een pleidooi voor wat men sinds de jaren ’60 de minimalisatie van transactiekosten is gaan noemen. Door meester te worden over de natuur (Gen. 1:28) creëren wij eigendomsrechten, die door hoge transactiekosten gebrekkig zijn afgebakend en dus schade veroorzaken aan andere mensen of hun eigendomsrechten. Mensen maken fouten, en fout, schade en causaal verband aantonen om tot restitutie te komen is niet kosteloos. Bovendien is het bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, om de “kost” van de schade te vertalen in een zuivere monetaire waarde, of een handeling met een zuiver restituerende functie. Maar ideeën van ondernemers, die de inherente vraag in de samenleving om die kosten te drukken weten te beantwoorden middels nieuwe combinaties van bestaande schaarse goederen (bijvoorbeeld technologische ontwikkeling), laten toe dat die transactiekosten geminimaliseerd worden, en onze eigendomsrechten beter op mekaar worden afgestemd. Dit leidt dus tot de beoogde ‘grotere rechtvaardigheid…, een betere menselijkheid en een meer humane ordening in de sociale verhoudingen’.

Het probleem is echter dat de Kerk de verantwoordelijkheid voor die veranderingen toeschrijft aan de arbeid, niet aan de ideeën, q.q. het kapitaal. Hiermee raken de achilleshiel van de kerkelijke sociale leer.

 

De kerkelijke dwaling aangaande ondernemerschap

De quasi praxeologische inzichten aangaande het methodologisch individualisme staan in schril contrast met het vermaledijde artikel 13 van de Encycliek, getiteld “de prioriteit van arbeid”. In een tegenstrijdige poging om de klassenstrijd te ontmijnen als een strijd tussen arbeid en kapitaal, schept de Kerk een duidelijke hiërarchie tussen beiden. Daar arbeid altijd de fundamentele grondoorzaak van het productieproces zou zijn, is het “prioritair” over kapitaal, dat slechts de som van hulpmiddelen voor productie is, en herleid wordt tot “het instrumentarium wat de arbeid dient”.

Ten eerste is dit paradoxaal. De Paus begint zijn pleidooi met de stelling dat het productieproces niet zelf kan leiden tot tegenstellingen tussen arbeid en kapitaal, maar dat beiden verweven zijn. Tegenstellingen tussen beiden ontstaan slechts door kwaadwillige elementen van buitenaf, zoals de werkonwillige arbeider, of de onrechtvaardige ondernemer, of incompetentie van één van beiden of beiden. Vervolgens schept de Paus een hiërarchisch onderscheid tussen arbeid en kapitaal. Is een hiërarchische relatie dan geen tegenstelling? Als kapitaal slechts het instrumentarium van de arbeid is, staan zij toch niet op gelijke hoogte, en zijn er toch tegenstellingen? In welke zin onderscheidt deze economische visie zich dan essentieel van de socialistische? Op geen enkel punt in de Encycliek wordt dieper ingegaan op deze paradox. Wellicht omdat de Kerk geen correct beeld van ondernemerschap hanteert.

Ten tweede betekent de primauteit van arbeid niet dat zij “prioritair” zou zijn over kapitaal. Ja, het is juist dat het menselijk handelen de verbindende kracht vormt tussen individuele verlangens en de schaarse middelen om hem heen. Wie honger heeft en een appelboom ziet, zal zijn arbeid vermengen met de appel om hem van de tak te scheiden. Maar het idee om appelbomen te kweken en hen met een hekwerk af te scheiden van de Schepping, opdat zij meer en betere vruchten zouden dragen, is kapitaal. Het is dit idee, deze investeringen van tijd, middelen en gedachten om een inherente vraag in de samenleving naar voedsel te bevredigen, die de arbeidsplaatsen creëert. Het is de boomgaardier die de gelegenheid creëert voor de arbeider om zijn arbeid te ontplooien en welvaart op te bouwen. Dit betekent dat arbeid en kapitaal niet alleen verweven zijn, maar dat elke “prioriteit” van de één boven de ander onmogelijk is vast te stellen. Waarom zou men een onderscheid moeten scheppen tussen de fysieke kracht die God hem gegeven heeft, en de vruchten van zijn geest, die hem door God is ingeblazen?

Tenslotte worden ondernemers herleid tot hun dialectische rol als werk-gevers. Niet als uitwerkers van ideeën en ontdekkers van nieuwe manieren om onbevredigde verlangens in de samenleving te bevredigen met nieuwe combinaties van schaarse goederen. Arbeid is wel een natuurrechtelijke eigenschap van de mens en zijn opdracht krachtens Genesis, maar zijn ideeën zouden dat niet zijn, of slechts ten dienste staan van (zijn eigen) arbeid. Een andere rol voor het kapitaal dan slechts als gewillige dienstmaagd van de arbeid, behoort volgens de Paus “tot het tijdperk van het primitieve kapitalisme en liberalisme”.

Hier slaat de Kerk de bal compleet mis en hervalt het in een afkooksel van het marxisme. Terwijl men een correcte en ruime interpretatie bezigt van het handelingsaxioma, gebruikt men een bijzonder enge definitie van kapitaal. De Paus lijkt kapitaal te herleiden tot de financiële middelen en de machinerie die ondernemers aan arbeiders ter beschikking stellen om zaken te produceren (zie art. 14, §5: “Eigendom moet de arbeid dienen.”). Maar kapitaal omvat ook de ideeën die bepalen welke investeringen wel en – misschien zelfs belangrijker – niet gedaan worden, welke job wel en welke job niet gecreëerd wordt en welke machine wel en welke machine niet gebouwd wordt.

De Kerk heeft met andere woorden geen visie op ondernemerschap. Ondernemers en kapitaal zouden slechts ten dienste staan van de arbeid, en het is hun finaliteit om zoveel mogelijk werk te creëren voor zoveel mogelijk mensen. Dit staat haaks op de ware geaggregeerde finaliteit van ondernemerschap en kapitaal: namelijk zo weinig mogelijk arbeid en arbeidstijd inzetten voor zoveel mogelijk welvaartscreatie. Het lijkt alsof de Kerk beweert dat een landbouwer die investeert in landbouwmachines om zo méér voedsel te produceren voor méér mensen aan lagere prijzen zijn kapitaal niet correct aanwendt, maar beter 100 extra boeren aanwerft om met de hak en ploeg als slaven op het land te beulen.

In dit opzicht is artikel 27 van de Encycliek te lezen als een cynisch, bijna misantropisch pleidooi voor menselijk lijden. Arbeid heeft volgens de Encycliek pas waarde als ze afmat, als het arbeiders fysiek uitput. Er wordt daarin (onterecht) verwezen naar H. Thomas van Aquino, die arbeid een “bonuum arduum”, een moeilijk (te verwerven) goed noemt. Afmatting is niet alleen een gevolg, maar een inherent en onafscheidelijk kenmerk van arbeid. Men sleurt er Bijbelpassages bij, om deze perverse redenering kracht bij te zetten: Gen., 3:19: “In het zweet zult ge werken voor uw brood.” en in het bijzonder de kruisweg van Christus, die zijn eigen kruis met eigen arbeid draagt, en bezwijkt, zodat zijn eigen arbeidslijden instrumenteel geweest is in zijn Verrijzenis (Gaudium Spes, 38). Een tijd van schandelijk lage levensverwachting en rudimentaire landbouwsamenlevingen kunnen toch niet als voorbeeld dienen voor arbeid en welvaart in de twintigste en eenentwintigste eeuw?

“In de menselijke arbeid vindt de christen een deeltje van het kruis”, aldus Paus Johannes Paulus II. Het schept een weinig aantrekkelijk beeld van de arbeid. De Encycliek verwordt op dit punt bijna tot een meewarige klaagzang over de arbeidsomstandigheden van bepaalde arbeiders. In het licht van de opstandige Polen en andere proletariërs in communistische landen wellicht terecht. Maar als algeméén principe? Allerminst.

Nochtans is het net de betrachting én unieke missie van ondernemers om manieren te vinden opdat brood kan verdiend worden zonder te zweten. Kapitaal en investeringen hebben net als finaliteit om afmatting te minimaliseren, of op z’n minst arbeid los te koppelen van afmatting. Daarvan getuige de automatiseringsprocessen in de postindustriële wereld en de uitgroei van de IT en tertiaire sector. Nog nooit in de geschiedenis was het arbeidszweet zou karig terwijl de economische output nog nooit zo groot was. Dat hebben we vrijwel uitsluitend te daken aan de ideeënproductie van de ondernemers, en hun beslissingsprocessen.

 

Een gemiste kans

Deze Encycliek, of enige andere encycliek, getuigt niet van een degelijk uitgewerkte visie op ondernemerschap. Wellicht omdat de desbetreffende geschriften bestemd waren voor de oren van de arbeiders. Inderdaad, het zijn de georganiseerde arbeiders, opgestookt door ideologische agitatoren, die in de twintigste eeuw de meest concrete bedreiging voor Rome betekenden. Zelden of nooit de ondernemers. In die zin zou het dus een verspilling van kostbare tijd en middelen zijn om harten en geesten te veroveren van hen die slechts een kleine groep in de samenleving vertegenwoordigen, en geen imminente dreiging vormen, tegenover de grote volksmassa, waarin bepaalde broeihaarden van antiklerikale revolutie ontsproten waren.

Dit is mijns inziens hoe dan ook een vergissing geweest. Sinds Rerum Novarum, en sinds de tweede helft van de twintigste eeuw in het bijzonder, hanteert de Kerk een zuiver dialectisch klassendiscours, dat zich steeds uitdrukkelijker richt op het Wereldproletariaat, en weinig of geen aandacht besteedt aan de pioniersrol van investeerders, ondernemers en andere exponenten van het kapitaal. Terwijl de Kerk er goed aan gedaan heeft om een degelijke ethische bovenbouw voor arbeid en de deugdelijkheid van goede arbeidsrelaties uit te werken, heeft het zeer geringschattend gesproken over een kleine, doch cruciale groep in de wereld.

Door arbeid “prioritair” te verklaren boven kapitaal, en kapitaal te degraderen tot “het instrumentarium van de arbeid” heeft het de mensen die ideeën omzetten in waarde(creatie) een excuus gegeven om zich af te zetten van de Kerk, of zelfs tegen te werken.

Dat de Kerk goede relaties onderhoudt met ondernemers is evident, maar die hartelijkheid is tot op heden binnenskamers gebleven, alsof de Kerk er beschaamd om was. De Kerk staat open voor de werkmens en de ondernemer, maar de ondernemer wordt schijnbaar geacht binnen te treden langs het zijportaal, en wordt vanop de kansel allerhande zonden verweten, terwijl de arbeider wordt uitgenodigd zich aan Christus en Sint-Jozef te spiegelen.

 

Conclusie

Ondernemers en vrije markteconomen hebben de voorbije decennia vele vernederingen van het hoogste kerkelijke gezag moeten ondergaan. Tot op vandaag. Velen van hen hebben zich dan ook – begrijpelijk – van de Moederkerk afgekeerd. Begrijpelijk, maar ten onrechte!

Willen wij gestalte geven aan een voldragen liberalisme dat zich ent op de Westerse waarden en traditie, dan moeten wij onze rechtmatige plaats opeisen binnen de Moederkerk, niet daarbuiten. Wij moeten de dialoog aangaan, de dialoog opeisen en de Kerk dwingen om haar opnieuw te buigen over haar proto-praxeologische Scholastieke inzichten, die zij de laatste eeuw steeds nadrukkelijker verlaten heeft.

De Kerkelijke hiërarchie moet, in al haar geleden, van de parochie tot Rome, een hernieuwde interesse in het eigendomsrecht, het ondernemerschap en de vrije markt aan de dag leggen, zonder daarmee in conflict te komen met haar verplichtingen aangaande uitgebuite arbeiders en minderbedeelden waar ook ter wereld. Dat het kapitalisme en sociale verzuchtingen mekaar niet uitsluiten, lijkt mij een waardevollere positionering binnen het economisch debat voor de Heilige Stoel, dan een warrige, krakkemikkige middenweg, die wezenlijk geen substantie heeft.

Facebooktwitter

Be the first to comment on "1 mei: het Feest van Sint-Jozef Arbeider vanuit liberaal-conservatief oogpunt belicht"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten