Hoe de overheid de architectuur vernielde

Facebooktwitter

Lopend door een stad kun je vrij gemakkelijk de goedkope en dure gebouwen aanwijzen. Dat heeft vaak niet eens te maken met het woonoppervlak, de tuin of zelfs locatie. Esthetiek is de voornaamste prijsbepaler. De populairste wijken (en dus ook de duurste) zijn vaak de jaren ’30-wijken met fraai ingerichte doorzonwoningen en karakteristieke en sfeervolle gevels. Kijken we naar steden in hun algemeenheid dan valt op dat steden die bol staan van de geveltjes en historiserende panden in veel gevallen populairder zijn als winkel- en woonstad dan de modernistische gedrochten van de jaren ’50, ’60 en ’70. Er is een reden waarom Den Bosch een populaire woonbestemming is, terwijl maar weinig mensen met trots zeggen dat ze in Almere, Lelystad of Zoetermeer (willen) wonen. Het lijkt vanzelfsprekend maar dat is het helaas niet: Schoonheid is van belang.

De jaren ’30 waren het laatste decennium waarin gebouwd werd volgens esthetieke normen (afgezien van sommige recentelijk gebouwde wijken). Afgezien van het kortlevende Streamline, een aan art-deco gerelateerde stroming, was elke architectonische stroming van na die periode gericht op efficiëntie en pure functionaliteit in plaats van esthetiek. Huizen waren om in te slapen, kantoren om in te werken, fabrieken om in te produceren, maar het leven zelf stond niet meer centraal. Wat was er rond de oorlogsjaren gebeurd dat de architectuur zó verslechterde?

In de jaren kort voor de Tweede Wereldoorlog nam de invloed van de overheid op de woningmarkt steeds meer toe. Voor 1900 kende Nederland ruim veertig onafhankelijke woningbouwverenigingen die geen enkele cent van de landelijke overheid kregen. Veel van die particuliere woningbouwverenigingen werden in de negentiende eeuw opgericht door de rijkere burgers op iets te doen aan de woningnood en verkrotting. Aan het begin van de twintigste eeuw werd de Woningwet ingevoerd, de eerste Nederlandse wet die de greep van de overheid op de woningbouw vestigde. Daarbij werden eisen gesteld aan de bouw van nieuwe woningen maar kwamen er ook subsidies. Nog in de jaren ’20 werden prachtige wijken gebouwd door woningbouwverenigingen maar na de Tweede Wereldoorlog zou dat veranderen.

Langzaamaan ontpopte de overheid zich tot een steeds belangrijkere opdrachtgever voor de architectuur. Dat gebeurde vanaf het begin van de twintigste eeuw al, maar in de woningbouw was de Tweede Wereldoorlog een keerpunt.Bij de wederopbouw trok de overheid de planning, financiering en verdeling van woningen naar zich toe, taken die eerder nog bij de (onafhankelijke) woningbouwverenigingen lagen. Soms ging het zelfs nog verder. Zo nam het gemeentebestuur van Amsterdam in de jaren ’50 en ’60 de oudste woningbouwvereniging van het land, de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse (VAK), volledig over. Dat ging gepaard met de bouw van veel lelijkere huizen. De overheid had andere belangen dan private investeerders en woningbouwverenigingen en was veel meer op de korte termijn gericht.

In de wederopbouw werd gekozen voor efficiëntie, voor goedkope huizen die snel konden worden gebouwd. Er moesten veel huizen komen; kwantiteit ging boven kwaliteit. Dat die huizen vervolgens maar enkele decennia meegingen was dan ook niet vreemd. De departementen die over huisvesting gingen werden niet geleid door architecten maar door economen. Waar een architect rekening moet houden met tal van elementen, waar esthetiek er een van hoort te zijn, zijn economen voornamelijk bezig met efficiëntie; zoveel mogelijk mensen huisvesten op een zo klein mogelijk oppervlak en budget.

Dat bleef een langere periode zo. Afstotelijke huizen werden gebouwd en de verloedering sloeg toe want er is weinig interesse om een huis te onderhouden dat van begins af aan al wanstaltig is. Dat criminaliteit in deze nieuwe wijken hoger was, is dan ook niet vreemd. Toen de onvermijdelijke verkrotting toesloeg en de overheid vanaf de jaren ’70 diverse woningen of zelfs hele wijken ging vervangen, koos men daar weer voor de grauwe grijze flats in plaats van historiserende gevels. Dezelfde fouten werden keer op keer op keer herhaald. Dat geldgebrek een probleem was in de jaren ’50, ’60 en ’70 is geen excuus.

Het bijzonder is nu juist dat ook de jaren ’30-woningen in crisistijd zijn gebouwd. Het was echter wel in een periode waarin de overheid zich veel minder bemoeide met de huizenmarkt, particulieren vingen de klappen van de crisis op. Dit leidde hier juist tot stijlvolle woningen; elke investering moest meerwaarde creëren. Private belangen waren anders dan overheidsbelangen.

Pas recentelijk zijn overheden, zeer mondjesmaat, gaan inzien dat schoonheid van belang is. Een voorloper hierin was Helmond, tijdens de jaren ’70 nog aangemerkt als groeistad. Het groeistedenbeleid was centrale planning ten top; een aantal kleine en middelgrote steden in de buurt van grote steden werden aangewezen om woningen te bouwen om de grote steden te ontlasten. Miljarden subsidies vloeiden om honderdduizenden woningen te bouwen. Over het algemeen bezien waren deze groeisteden het toppunt van lelijkheid; steden als Zoetermeer, Almere en Nieuwegein werden volgebouwd met modernistische architectuur.

Maar in Helmond kwam in de jaren ’90 de ommekeer onder leiding van wethouder Sjef Jonkers. Jonkers liet onderzoeken wat mensen nu eigenlijk van een huis wilden en het resultaat was niet heel verrassend: mensen wilden een huis om trots op te zijn. Dat was iets waar de centrale planners van de decennia daarvoor zich niet mee bezig hielden. Met die gedachten werden wijken als Dierdonk (in jaren ’30-stijl), Boscotondo (met groenkoperen daken) en Brandevoort (in de stijl van een vestingstad en boerendorpen) gebouwd. Jonkers keek naar de bewoners van de wijk in plaats van te luisteren naar de planners. Die insteek heeft prachtige wijken opgeleverd.

Dat is dan ook de enige manier hoe we de grauwe jaren ’50-’60-’70-wijken kunnen transformeren tot prachtige nieuwbouwwijken waar weer met plezier gewoond wordt. Zorgen dat mensen weer trots op hun woning kunnen zijn, dat er naar hun wensen wordt gekeken in plaats van de centrale planners die enkel kijken in termen van efficiency. Grauwe, grijze flats vervangen door karakterstieke gevels en prachtige erkers, woningen waarin geleefd mag worden en je trots op kan zijn in plaats van de DDR-flats van weleer. Dan worden de steden niet alleen mooier, maar vooral ook leefbaarder.

Facebooktwitter

2 Comments on "Hoe de overheid de architectuur vernielde"

  1. Mooi stuk Hans, Veenendaal was/is ook zo’n groeistad, met hele lelijke flats, en nieuwbouwwijken met lelijke huizen. Uitzondering is wel een wijk uit vooral de jaren 80 met wat mooiere huizen (Veenendaal-West), en de nieuwste wijk Veenendaal-Oost is ook wel een verbetering. Maar, hoewel de overheidsinvloed weinig positief zal zijn geweest, heeft die lelijke bouw natuurlijk met meer te maken, met name de tijdsgeest (van de intellectuelen).

  2. Helaas complete onzin. Voor WO2 kwamen ook veel mooie wijken/gebouwen tot stand op initiatief van de overheid, of, om maar iets te noemen, socialistische huisvestingsorganisaties. En vanaf de jaren 50 bouwden privé-initiatiefnemers vaak even lelijk als de overheid. Wat ondertussen veranderd is, is de smaak van de opdrachtgevers die meer & meer voor minimalistisch blokkendozen modernisme kozen. Liefst in goedkope materialen met veel prefab, dat drukt de kosten. En maximaliseert de winst voor de investeerder.

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten