Democratie, extremisme en partijen verbieden: cui bono?

foto door Christian Horvat [https://de.wikipedia.org/wiki/Benutzer:VisualBeo], CC BY-SA 3.0 [https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.en]
Facebooktwitter

In Duitsland zal het Bundesverfassungsgericht, het constitutioneel hof (hierna BFG), zich voor de tweede maal buigen over de “grondwettigheid” van de extreemrechtse partij NPD. Dit artikel zal eerst dieper ingaan op het Duitse grondwettelijke kader en de pogingen die in het verleden werden ondernomen om de partij te verbieden. Vervolgens zal dieper worden ingegaan op Europese rechtspraak en waarom bepaalde ontbindingen van politieke partijen wel en niet strijdig worden geacht met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tenslotte zal kort een beschouwing gemaakt worden van de zin en onzin van het verbieden van partijen.

De lange kruistocht tegen extremisme in de BRD

De Bondsrepubliek Duitsland (BRD) is opgestaan uit de as van het Derde Rijk. Een unieke drievoudige combinatie van de nazistische strijd tegen linksextremisme, de exodus van Duitse communisten naar het Oosten, en de door de geallieerden gecontroleerde denazificatie na de bevrijding heeft de Duitse rechtstaat behoed voor de extremistische tendensen waaraan haar rechtsvoorganger, de Weimarrepubliek, tragisch ten onder is gegaan.

Dat betekent evenwel niet dat die tendensen niet meer bestonden in de Duitse samenleving. Integendeel. Communistische partijen en extreemrechtse, bij wijlen nazistische partijen bestonden wel degelijk. Maar de BRD heeft hen wel – om een nieuw Weimardebacle te vermijden – zo vaak als mogelijk buiten de politieke en bestuurlijke orde gezet.

Om dat mogelijk te maken werd artikel 21 in de Duitse grondwet opgenomen. Die bepaling (die overigens expliciet buiten de opsomming van de Duitse grondrechten ex art. 1-19 valt) houdt een grondwettelijke gedragscode in voor politieke partijen. Zo vereist het eerste lid dat politieke partijen, wat betreft hun interne organisatie, gestoeld moeten zijn op “democratische principes” (“Ihre innere Ordnung muß demokratischen Grundsätzen entsprechen.”). Dat heeft tot doel om partijen te beletten een Führerprinzip of leninistische organisatievorm te hanteren, waarbij één persoon of een select Politbureau de politieke en organisatorische lijnen van de partij uitzet, zonder inspraak van de leden. Dat zou intern debat en matiging moeten stimuleren. Het is niet geheel duidelijk of eenmanspartijen of partijen waarvan men geen lid kan worden binnen die bestreden organisatievormen vallen.

Het tweede lid van artikel 21 behandelt de rol van politieke partijen in de democratische politieke ruimte. Het toepassingsgebied van dit artikel is zeer ruim. Het betreft niet alleen mandatarissen en bestuursleden van een partij, maar ook hun leden en zelfs hun aanhangers (Anhänger). Al deze politieke stakeholders moeten er zich van weerhouden, zowel wat betreft hun doelstellingen als hun feitelijk gedrag, de vrije democratische “basisorde” (Grundordnung) te ondermijnen en te bestrijden. Ook wie het doel nastreeft om de Federale Republiek Duitsland te beëindigen, kan door het BFG ongrondwettelijk verklaard worden. Dit heeft twee belangrijke implicaties.

Ten eerste worden partijen in Duitsland niet alleen verantwoordelijk gehouden voor het gedrag en de uitlatingen van hun mandatarissen en leden, maar ook voor hun sympathisanten. Vanuit een letterlijke lezing van de tekst zou dit betekenen dat een partij verboden zou kunnen worden wanneer iemand die geen lid is, maar wel systematisch aanwezig was op partijconventies en –rally’s, bijvoorbeeld een aanslag beraamt op de kanselier of president. Voor partijen in en rond het centrum is dit waarschijnlijk geen reëel probleem. Voor partijen in het radicale linkse en rechtse kamp betekent dit dat deze partijen nauwgezet moeten toezien op wie met hen sympathiseert. Het is de bedoeling van deze bepaling dat extreme partijen aan een vorm van zelfschifting en -censuur gaan doen, waarbij ze zich telkens weer opnieuw moeten indekken, in hun geschriften en toespraken, tegen sporadisch geweld van hun sympathisanten, dat in de regel gericht is tegen bijvoorbeeld het staatsgezag, zoals de politiediensten.

Ten tweede impliceert dit artikel dat separatistische partijen, die bepaalde Länder zouden willen afsplitsen van de Bondsrepubliek, zich met dat standpunt buiten de grondwet plaatsen. Al neigen juristen de zin “den Bestand der Bundesrepublik Deutschland zu gefährden” te interpreteren dat een democratische secessie de Bondsrepubliek niet in gevaar zou brengen, daar die op papier zou kunnen overleven zonder één of meerdere deelstaten. Men doelt hier wellicht op een landelijk georganiseerde, gewapende desintegratie, zoals men dat gezien heeft in de Spartakusopstand en de Beierse Radenrepubliek.

Artikel 21 is dus een belangrijk, evenwel verwarrend verwoord artikel waarvan de draagwijdte niet geheel duidelijk is. Het BFG heeft in het verleden zeer terughoudend opgetreden in de verdere verfijning van de onderliggende betekenis ervan. Slechts 2 maal in de geschiedenis van de BRD werd een partij ongrondwettig verklaard.

In 1952 werd de Socialistische Reichspartij verboden. Deze radicale afsplitsing van de Duitse Rechtspartij beschouwde zichzelf als erfgenaam van de NSDAP, terwijl de DRP (de latere NPD) in de oude conservatieve christelijke vijver van de Weimarrepubliek viste. Dat de partij zichzelf profileerde als politieke en ideologische erfgenaam van de NSDAP, was voor het BFG voldoende om de partij ongrondwettig te verklaren.

In 1957 volgde een verbod op de Communistische Partij van Duitsland. Deze partij werd verboden omdat zij zich beriep op de “marxistisch-leninistische partijstrijd” en zowel de Spartakusopstand als Oktoberrevolutie beschouwde als mogelijke scenario’s van sociale en politieke omwenteling. Nog geen jaar na het verbod werd de partij als de Duitse Communistische Partij – en parallel nog andere partijen – heropgericht. Het strategische accent werd echter verschoven van een marxistisch-leninistische invulling van proletarische revolutie, naar een maoïstische, later hoxhaïstische. Dit werd niet strijdig geacht met de Duitse grondwet daar noch Mao, noch Hoxha een concrete bedreiging voor Duitsland hadden betekend in de geschiedenis.

NPD en het infiltrantenschandaal

Sindsdien is geen enkele partij meer gedaagd geweest voor het BFG. Tot de regering Schröder, gesteund door de Bundesrat en Bundestag in 2001, de extreemrechtse NPD wilde laten verbieden. Concrete aanleidingen waren enkele antisemitische aanslagen gepleegd door vermeende sympathisanten van de NPD. De regering Schröder wierp als argument op dat de NPD zich schuldig maakte aan opruiende antisemitische en anticonstitutionele propaganda, en dat deze propaganda de daders van de aanslagen tot hun misdrijven had aangezet.

In januari 2001 brachten onderzoeksjournalisten Josef Hufelschulte en Thomas van Zütphen echter aan het licht dat er verschillende Duitse geheime agenten waren geïnfiltreerd tot in de hoogste gelederen van de NPD en de gewraakte antisemitische en anticonstitutionele quotes mogelijk van hun hand waren.

De perceptie heerste plots dat de Duitse overheid op z’n minst gedeeltelijk haar eigen buitenparlementaire extreemrechtse dreiging ensceneerde. Toen de regering weigerde de lijst van infiltranten aan de rechters over te maken, werd de klacht tegen de NPD verworpen. Er kon immers niet met zekerheid worden vastgesteld of de gewraakte quotes aan NPD-sympathisanten, dan wel aan infiltranten moesten worden toegeschreven. De hele zaak ontplofte dus in het gezicht van de regering.

De media sprak schande van de zwakke bewijsvoering door de overheid. Dat insinueerde dat de regering  de kansen op een veroordeling, zelfs als het de lijst van infiltranten aan het gerecht zou overgemaakt hebben, erg laag inschatte. Wellicht was het de regering te doen om de interne destabilisatie van de NPD. Door aan de pers te lekken dat infiltranten tot in de hoogste bestuursorganen van de partij waren geïnfiltreerd had de regering het interne vertrouwen tussen de partijmandatarissen en leden volledig gebroken. Het betekende een klap die de partij tot op vandaag nooit te boven is gekomen.

Tweede keer goede keer?

In 2012, negen jaar na het roemloze einde van de eerste poging, trok de Bundesrat opnieuw naar het BFG om de ongrondwettigheid van de NPD te bekomen. Dit maal op basis van het onderzoek naar de extreemrechtse terreurcel NSU, die in 2012 werd opgerold en waarbij bepaalde NPD-functionarissen en sympathisanten betrokken waren. De Bundesrat werd voor dit tweede proces niet gesteund door de regering, noch door de Bundestag. Slechts een derde van de parlementsleden zag een nieuw proces zitten.

De Bundesrat maakte dit maal beter haar huiswerk. Daar het BFG eerder al had verklaard dat louter tegen de grondwet zijn op zich niet ongrondwettig is, werd de anti-BRD retoriek van de NPD niet meer als “bewijs” aangevoerd. De argumenten waren minder talrijk, maar wel beter omkleed. Zo werd meer aandacht besteed aan de allusies op geweld, en oproepen tot fysieke strijd tegen de grondwettelijke vrijheden. Daarmee alludeerde de Bundesrat op een Document van de Raad van Europa dat in 2002, naar aanleiding van soortgelijke incidenten in Turkije, werd aangenomen. Hierin werd concreet en gedetailleerd beargumenteerd welke bewoordingen en intenties wel en niet in strijd moeten worden geacht met het recht op vrije meningsuiting en de parlementaire vrijheden. Anderzijds heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het verleden al expliciet verduidelijkt dat partijen slechts kunnen worden verboden wanneer zij een concrete, directe bedreiging vormen voor de democratie, en dat minuscule partijen (NPD zou zo’n 5200 leden hebben) per definitie niet als zulke bedreiging kunnen worden aangemerkt. Daar de aanbevelingen van de Raad van Europa en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in principe niet bindend zijn voor de lidstaten, hoopt de Bundesrat dat het BFG haar ruimer criterium zal laten primeren op het strikte criterium van de Raad van Europa. Volgens de letter van artikel 21 is een concrete, directe bedreiging van de Duitse “Grundordnung” immers niet vereist om over te gaan tot een partijverbod.

De Bundesrat werd gesteund in haar pleidooi door het blad Der Spiegel, dat een artikel publiceerde dat de gewelddadige intenties van de NPD moest bewijzen. De journalisten stelden dat er volgens hen voldoende grond was om de partij te verbieden, maar vroegen zich wel af of dat wel opportuun zou zijn? Hoe weerbaar is een democratie, als die haar tegenstanders buiten de grondwettelijke orde plaatst? Maakt zo’n verbod van deze politici geen martelaren?  Moeten antidemocraten niet met democratische middelen zoals debat worden bestreden in plaats van met repressieve middelen?

Ook vanuit wetenschappelijke kringen kreeg de Bundesrat steun. Uit een studie van het Münchener Institut für Zeitgeschichte (IfZ) zou moeten blijken dat “het politieke programma van NPD nagenoeg identiek is aan dat van de NSDAP”. Met dit parfum van wetenschappelijkheid wou de Bundesrat elke associatie met de fouten uit het verleden, namelijk bewijsvoering middels halve geruchten, losse verbanden met misdrijven en onbekende infiltranten, te allen prijze vermijden.

Maar er lagen kapers op de kust. Niet alleen de precedenten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waren een obstakel. Het BFG had namelijk zelf geoordeeld dat er een strikt onderscheid wordt gehanteerd tussen onconstitutionele pleidooien en onconstitutioneel handelen. Dat betekent dat loutere onconstitutionele pleidooien onmogelijk voldoende bewijs kunnen uitmaken om tot een veroordeling over te gaan en dat enkel onconstitutioneel handelen binnen de bevoegdheid van het BFG ligt. Het Hof stelt dit duidelijk: “Solchen Äußerungen kann und muss die betroffene Partei mit den Mitteln des Meinungskampfes begegnen.”

Als het programma van de NPD dus identiek zou zijn aan dat van de NSDAP is dat op zich niet genoeg om tot een veroordeling over te gaan. In 1952 werd de SRP verboden omdat zij zich als “erfgenaam” van de NSDAP beschouwde. Die “erfenis” omvatte volgens het BFG niet alleen het partijprogramma, maar ook het geweld. Het partijprogramma valt binnen de “Meningstrijd” (Meinungkamf), en dus buiten de bevoegdheid van het BFG. Slechts een “akute bedreiging van de Grondwet” (“akute Bedrohung der Verfassung”) valt buiten de Meningstrijd en dus binnen de bevoegdheid van het BFG. Als het BFG de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt, zal het oordelen dat de Bedrohung – op basis van het geringe politieke en maatschappelijke gewicht van de partij – per definitie niet akut is. In dat geval zal het BFG zich onbevoegd verklaren. Bovendien waren er in 1952 naar alle waarschijnlijkheid nog steeds een cruciaal aantal “nostalgici” in Duitsland aanwezig, dat een Bedrohung der Verfassung nog bijzonder akut was. Alleszins een groter aantal dan in 2001.

Gedurende twee jaar gebeurt er niets. In mei 2015 beslist de Duitse overheid plots toch om het BFG inzage te verschaffen in de geclassificeerde documenten over de infiltranten. Opmerkelijk: bij het dossier zitten ook documenten aangaande infiltranten in de anti-islamiseringsbeweging Pegida. Dat doet dus vermoeden dat de Duitse overheid via Pegida de NPD wil treffen. Er zijn immers NPD- en ex-NPD mandatarissen, leden en sympathisanten actief binnen Pegida. Ook de nieuwe rechtse partij AfD, nauw of minder nauw betrokken bij Pegida, wordt bevolkt door een paar ex-mandatarissen van de NPD. Wanneer zij in verband kunnen worden gebracht met anticonstitutionele activiteiten, zou dit mogelijk een voorbode kunnen zijn van een grondwettelijke kruistocht tegen AfD.

In december 2015 liet het BFG weten dat het formeel een onderzoek opent. Dat lijkt te impliceren dat de klacht, in tegenstelling tot in 2001, deze keer ontvankelijk wordt verklaard. Er wordt uitspraak verwacht later dit jaar.

Precedenten voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Politieke partijen verbieden lijkt niet te sporen met de moderne conceptie van democratie. De precedenten zijn schaars en voornamelijk te herleiden tot Turkije, strikt genomen een “pocket-democratie” die wel eens een loopje durft te nemen met politieke rechten van etnisch-culturele minderheden. Arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) zijn schaars, maar behoren wel tot de meest uitvoerig omkleedde van de hele rechtspraak van het Hof.

In 2002 publiceerde de Raad van Europa een document (Doc. 9526) waarin de belangrijkste richtlijnen worden beschreven die het Hof in de toekomst zal hanteren om te bepalen of een verbod op politieke partijen gerechtvaardigd is.

Dat document kwam er na de belangrijke uitspraak Refah Partisi e.a. v. Turkije (2001), waarin de ontbinding van een politieke partij die de democratie wou omver werpen om de sharia in te voeren, niet strijdig werd geacht met de Europese mensenrechten. In de nasleep van 9/11 en de snelle opkomst van het moslimterrorisme anticipeerde de Raad van Europa een verscherping van het debat, en de opkomst van radicale partijen aan alle zijden van het politieke spectrum.

Een éérste belangrijk punt dat de Raad maakt is de primauteit van de nationale grondwetten, i.e. dat nationale grondwetten als eerste en opperste toetssteen worden gebruikt. Verschillende landen hebben een verschillende geschiedenis met verschillende periodes en uitingen van extremisme. Dit vertaalt zich volgens de Raad dan ook in verschillende constitutionele tradities om met het probleem om te gaan. Dat betekent dat het EHRM, wanneer het zich buigt over de rechtmatigheid van een verbod, zich eerst over de ratio legis (i.e. de bedoeling, de intentie van de (grond)wetgever) van de nationale grondwet zal buigen.

Dat betekent dat landen met expliciete grondwettelijke bepalingen aangaande de rol van partijen in de parlementaire democratie wellicht meer kans maken om de toetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) te doorstaan (bijvoorbeeld Turkije of Duitsland), dan landen die zulke bepalingen ontberen (bijvoorbeeld België of Frankrijk).

Een tweede belangrijk punt is dat de Raad de ontbinding van een partij beschouwt als een ultimum remedium. Een ontbinding zal dus pas strijdig worden geacht met de het EVRM als alle andere mogelijkheden (zoals publiek debat, zie de Duitse Meinungskampf, of de individuele vervolging van leden) uitgeput of onmogelijk zijn.

Bovendien stipuleert de Raad dat enkel de rechterlijke macht een verbod mag uitspreken (dus niet de wetgevende of uitvoerende), en dat de uitzonderingen op artikel 11 EVRM – dat de politieke vrijheden behandelt – zeer strikt zullen worden geïnterpreteerd. Dat laatste is mogelijk een belangrijk obstakel voor de Duitse overheid: daar het Hof in het verleden al bepaalde dat minuscule partijtjes geen imminente dreiging voor de democratie vormen, zou het wel eens kunnen dat de overheid in het zand bijt. Dit is wellicht de reden waarom de Duitse overheid de NPD wil linken aan Pegida en AfD. Het succes van Pegida en de aangekondigde politieke aardverschuiving die AfD zal veroorzaken, kan mogelijk voldoende leverage zijn om de dreiging van NPD groter voor te stellen dan ze wellicht in werkelijkheid is.

Het belangrijkste obstakel voor de Duitse overheid is evenwel de expliciete bepaling dat acties ondernomen door leden van de partij NIET aan de partij kunnen worden toegerekend, voor zover die acties strijdig zijn met de statuten of de activiteiten. De soepele Anhänger-bepaling in de Duitse grondwet kan dus slechts tot een veroordeling leiden wanneer DADEN (en dus niet enkel intenties) die de Duitse grondwettelijke orde in gevaar kunnen brengen, rechtstreeks kunnen worden herleid tot standpunten van de NPD, of werden gesteld naar aanleiding van een partijactiviteit.

Concrete uitspraken die van mogelijk belang zijn voor de zaak tegen de NPD zijn de volgende:

TBKP v. Turkije (1998): de Turkse Communistische Partij werd verboden om twee redenen: 1) omdat het woord “communistisch” volgens de Turkse wet niet mag worden gebruikt in de benaming van een politieke partij, en 2) omdat de door hen beoogde klassenstrijd tweedracht zaaide in de Turkse natie, hetgeen volgens de Grondwet verboden is. Het verbod werd strijdig geacht met artikel 11 van het EVRM. Zo was er geen concrete dreiging van een communistische overname, en was politieke dialoog niet onmogelijk. Voor de NPD betekent dit dat enige gelijkenis met het partijprogramma van de NSDAP, hoe duidelijk ook, op zich geen voldoende grond is om van een concrete dreiging voor de integriteit van de BRD te spreken. Bovendien wijst er niets op dat – zoals de voorzitter van het BFG in 2013 al stipuleerde – de Meinungskampf zou zijn uitgeput. Wel integendeel: als de NPD er in zou slagen om in meerdere Länder of de Bondstag verkozen te geraken, zou de Meinungskampf wellicht beter gevoerd kunnen worden.

Yazar, Karatas, Aksoy en HEP v. Turkije (2002): De Populaire Arbeidspartij (HEP) werd verboden omdat het de Koerden als dusdanig benoemde in haar partijprogramma en niet de algemene noemer Turken gebruikte. Dit was volgens het Turkse Grondwettelijk Hof in strijd met het grondwettelijk verbod om verdeeldheid te zaaien in de Turkse natie. Ook dit arrest werd door het EHRM strijdig geacht met artikel 11 EVRM. Hoewel het Hof niet bepaalde dat het grondwettelijk verbod om Koerden in partijprogramma’s als Koerden aan te spreken strijdig zou zijn, oordeelde het wel dat louter pleiten voor het recht op zelfbeschikking en taalrechten voor de Koerdische gemeenschap een legitiem debat vormde in een democratische samenleving, en op zich de integriteit van Turkije niet in het gedrang brengt. Dit zou betekenen dat bepaalde uitspraken of standpunten van de NPD en haar leden aangaande de positie van bijvoorbeeld de joden, of de vermeende macht van de joden in de federale staatsstructuren, op zich geen schending van artikel 11 uitmaken. Dat zijn immers geponeerde stellingen die in de Meinungskampf aangevallen en weerlegd kunnen worden. Pas wanneer de NPD zou oproepen om de federale staatsstructuren aan te vallen omwille van vermeende joodse of andere invloeden, zou een verbod de toets aan artikel 11 doorstaan.

Partidul Comunistilor & Ungureanu v. Roemenië (2005): De heropgerichte Roemeense communistische partij werd verboden door de Roemeense rechtbanken gezien de partij zich – zoals de Socialistische Reichspartij in 1952 – als “erfgenaam van het vorig regime” beschouwde. Het EHRM oordeelde echter dat het Roemeense verbod strijdig was met artikel 11, omdat de Roemeense communistische partij zich uitdrukkelijk had gedistantieerd van de onmenselijke praktijken van het regime. Dit zou betekenen dat wanneer de NPD zich uitdrukkelijk distantieert van de NSDAP en gewelddadige methoden om haar programma te verwezenlijken, de partij moeilijk verboden zou kunnen worden. Tenzij het EHRM een onderscheid maakt in “wreedheid” tussen het Derde Rijk en het communistische Roemenië. Een soortgelijke redenering werd gevolgd ten aanzien van de Russische Republikeinse partij, die zichzelf als opvolger van de Russische communistische partij beschouwde (Russische Republikeinse Partij v. Rusland, 2011). Daar de oprichters van de partij konden bewijzen dat zij vóór 1991 intern oppositie hadden gevoerd tegen het beleid van de regerende communistische partij, bewees dit volgens het EHRM dat zij geen concrete dreiging voor de democratie vormden.

Herri Batasuna & Batasuna v. Spanje (2009): het Spaanse verbod op beide Baskische separatistische partijen werd niet in strijd geacht met artikel 11 EVRM.  Volgens het Hof hadden de Spaanse rechters afdoende aangetoond dat er een sterke link bestond tussen terreurbeweging ETA en beide partijen, wat het verbod rechtvaardigde. Daar de ETA door het Hof wordt beschouwd als een terreurorganisatie die niet compatibel is met de democratie en beide partijen zich niet distantieerden, maar koketteerden met ETA-nostalgie, werd het verbod gehandhaafd. Dit betekent dat het BFG niet alleen een duidelijke link moet aantonen tussen NPD en terreurbeweging NSU (wat op zich niet ondenkbaar is), maar ook moet bewijzen dat de NSU een reële bedreiging voor de democratie vormde. Dat is moeilijker: de NSU was geen georganiseerde paramilitaire beweging zoals de ETA, maar eerder een kleinschalige criminele maffia die zich niet richtte tegen de Duitse staat, maar tegen etnische minderheden, in bijzonder de Turkse gemeenschap. Benieuwd of en hoe het BFG in da tgeval de integriteit van de Turkse gemeenschap in Duitsland gelijk stelt aan de federale integriteit van Duitsland.

Kortom: zelfs al komt het tot een veroordeling van de NPD, de kans is vrij gering dat haar ontbinding zal worden bekrachtigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De precedenten waarin een verbod werd gehandhaafd (Refah Partisi en Batasuna) betreffen concrete dreigingen voor de democratische rechtsorde en mensenlevens, respectievelijk de invoering van de sharia en daarmee samenhangende afschaffing van de democratie, en de associatie met en verheerlijking van een grote paramilitaire terreurorganisatie. Het is niet zeker dat een partij met 5200 leden, een handvol gemeenteraadsleden en één zitje in een deelstaatparlement een concrete dreiging voor de democratische rechtsorde vormt. Slechts via een duidelijke link met de NSU, en de zekerheid dat die terreurorganisatie een bedreiging vormde voor de democratie, zou een verbod kunnen rechtvaardigen op grond van artikel 11 EVRM.

Cui bono?

Een belangrijke empirische vraag die we moeten stellen wanneer we het hebben over het verbieden van bepaalde partijen omwille van hun gevaar voor de democratie, is of landen die dat ook effectief doen “betere” democratieën zijn dan landen die dat niet doen. Als we kijken naar Spanje en Turkije bijvoorbeeld vallen twee dingen op.

Ten eerste lijkt Spanje er prima facie in geslaagd om de Baskische opstandelingen op de knieën te krijgen. De ETA is ontwapend, aanslagen worden steeds schaarser, en de erfgenaam van Batasuna, EH Bildu, distantieert zich van de terreur zoals bijvoorbeeld de Roemeense communisten dat doen ten aanzien van het vorige regime. Het lijkt er dus op dat die democratische repressie vruchten afgeworpen heeft. Daartegenover staat het succes van de Catalaanse separatisten. Zij laten zich niet in met terreur en propageren een democratische, onderhandelde oplossing met Madrid omtrent het statuut van Catalonië. Het lijkt alsof de Catalanen leren uit de fouten die de Basken in het verleden gemaakt hebben. Dan rest ons natuurlijk de vraag of dat te wijten is aan zuivere leereffecten (terreur isoleert je zaak nationaal en internationaal), of aan het repressieve optreden van Madrid. Heeft de repressie van Madrid tegen de Baskische separatisten de democratische steun voor het separatisme aangewakkerd of afgeremd? Zou Baskenland onafhankelijk zijn als Batasuna nog zou bestaan? Dat is allemaal moeilijk te zeggen. Hoe dan ook kunnen we stellen dat het verbod op Batasuna het separatistisch sentiment niet heeft vernietigd. Het heeft het separatistisch element enkel gedwongen om zich in het democratische keurslijf te wringen. Daarvan zijn EAJ-PNV en EH Bildu, de grootste partijen, het resultaat. Elke analyse ter zake berust grotendeels op speculatie en counterfactual history. Een leuk gedachte-experiment, maar weinig wetenschappelijk.

Turkije is een ander verhaal. De politieke repressie van federalisten en de Koerdische belangen raakt niet langs het EHRM. Bovendien is het land sinds de veroordeling van de islamisten van Refah Partisi enkel “islamitischer” geworden, zo lijkt wel. De schimmige rol van Turkije in het Syrisch conflict en de vermeende banden tussen AKP en IS doen alvast het vermoeden rijzen dat de ontbinding van de islamisten geen zware klap voor de Turkse islamisten betekende. De Koerden zijn opstandiger dan ooit en het ziet er voorlopig niet naar uit dat zowel Koerden als Ankara bereid zijn tot een onderhandelde oplossing betreffende de positie van Koerdistan in een – dare I say? – federaal Turkije te komen.

De discussie over de ontbinding van partijen lijkt ook veel (misschien te veel) waarde te hechten aan de vorm van ideeën in de politieke ruimte (i.e. een politieke partij), terwijl ideeën in de samenleving veel ruimer en complexer zijn dan louter diegenen die stollen in een partijpolitiek project. In dat opzicht missen het BFG en de Duitse overheid zich misschien van doelwit: als ze extreemrechtse ideeën willen uitschakelen, volstaat het wellicht niet om de loutere partijpolitieke manifestatie ervan uit te schakelen. Men kan ook een analogie maken met het islamisme: een ideologie die lak heeft aan de parlementaire democratie tref je niet door haar partijpolitieke poot te treffen. Het islamisme, verschillende separatistische tendensen in Europa, extreemlinks, extreemrechts… zijn allemaal veel abstractere ideeën dan hetgeen kan condenseren in een partijprogramma.

Zo zal een hypothetisch verbod op liberale partijen wellicht geen effect hebben op het geloof van een aanzienlijk deel van de bevolking in vrij ondernemerschap, eigendomsrechten en aansprakelijkheid. Wij hebben geen partij nodig om ons te wijzen op de voordelen en moraliteit van die concepten. Een verbod op socialistische partijen zal mensen niet plots aanmanen om hun vraag naar publieke gezondheidszorg op te bergen. Die ideeën bestaan nu eenmaal in de samenleving en die bestrijd je niet met het verbieden van de verschijningsvorm daarvan op een bijzonder laag abstractieniveau, met name de partijpolitiek.

Anderzijds valt er wel een lans te breken voor een duidelijk begrensde politieke ruimte. Men kan perfect legitiem stellen dat het publieke politieke debat geen exacte afspiegeling moet zijn van de ideeën die aanwezig zijn in de samenleving. Wanneer een merendeel van de moslims bijvoorbeeld te vinden is voor de invoering van de sharia, kan dat heus wel een maatschappelijk gedragen idee zijn, dit betekent niet noodzakelijk dat dit idee – om die reden – een plaats verdient in het partijpolitieke landschap en het publieke debat.

In dat opzicht hebben ontbindingen van extremistische partijen enkel zin als de machthebbers ook op andere manieren die ideeën bestrijden. Zolang het Turkse leger sterker is dan de Koerdische milities en het gros van de Turken vijandig staat tegenover de politieke en cultruele emancipatie van de Koerden, hebben de Turkse machthebbers geen probleem. Als de Koerden echter internationaal krediet opbouwen en hun militaire strategieën kunnen aanscherpen in de Syrische burgeroorlog, dan hebben de Turken een probleem. Op een gegeven moment heeft een volk, of een ideologische beweging, helemaal geen politieke partij nodig om gehoord te worden en het verschil te maken.

Als het “Wir Schaffen Das”-debacle van de BRD blijft escaleren, dan zal een verbod op de NPD weinig zoden aan de dijk brengen. Als het narratief van de multiculturele samenleving verder afbrokkelt, en daardoor Pegida en AfD steeds meer maatschappelijk krediet opbouwen en op die manier gestalte geven aan een conservatievere onderstroom die pal voor de Westerse waarden gaat staan en militant breekt met het cultureel en moreel relativisme van de voorbije decennia, is een verbod op de NPD een pietluttig detail, die een steeds groter wordende beweging ter rechterzijde amper zal treffen. Zoals Der Spiegel terecht vroeg: cui bono?

Als de Bundesrat extreemrechts wil vernietigen, zal het vooral de voedingsbodem daarvan moeten wegnemen. En dat is het multiculturele narratief. Of men moet de misnoegde onderstroom overtuigen van de meerwaarde van dat narratief. Als Turkije de Koerdische zaak wil vernietigen, zal het vooral de voedingsbodem daarvan moeten wegnemen. En dat is het unitaire narratief. Of men moet Koerden overtuigen dat de Turkse unitaire staat hen iets te bieden heeft.

Kortom: de politieke realiteit is, zoals conservatieven weten en progressieven tegenspreken, slechts een heel beperkt segment van de complete realiteit. Een machtssysteem kan de politieke verhoudingen gedeeltelijk naar haar hand zetten, maar kan de realiteit niet veranderen. Er zijn culturele krachten die boven concepties als staat en democratie resoneren die veel machtiger zijn dan staten en rechtsordes. Dat kan positief zijn, zoals de vrijheidsgedachte en de superioriteit van de Westerse Beschaving (iedereen emigreert naar het Westen, niemand naar het Midden-Oosten), maar ook negatief, zoals de donkere kracht van het relativisme en de dreiging van het internationaal islamisme. The power of ideas is sterker dan de democratie, en dat is voor velen een bittere pil om slikken.

 


 

 

Bronnen:

Eric D. Weitz, Creating German Communism, 1890-1990: From Popular Protests to Socialist State. Princeton, NJ: Princeton University Press, 1997.

Josef Hufelschulte, Thomas van Zütphen, “V-Mann-Affäre: Fatale Frenz-Connection.” In: Focus Online, 28 Januari 2002.

Charles Hawley, “The World from Berlin: ‘The Neo-Nazi Killers Were Among Us’“, Der Spiegel 15 november 2011.

http://www.spiegel.de/spiegel/print/d-83977212.html.

http://www.zeit.de/news/2013-12/03/bundeslaender-npd-verbotsantrag-in-karlsruhe-eingereicht-03145616.

http://www.zeit.de/politik/deutschland/2013-12/bundesverfassungsgericht-karlsruhe-npd-verbot.

http://www.spiegel.de/politik/deutschland/npd-verbotsverfahren-mehr-beweise-von-bundeslaendern-gefordert-a-1025121.html.

https://www.tagesschau.de/inland/npd-verfahren-105.html.

http://www.bundesverfassungsgericht.de/SharedDocs/Entscheidungen/DE/2015/12/bs20151202_2bvb000113.html.

http://www.neopresse.com/gesellschaft/der-kampf-hat-begonnen-widerstand-in-deutschland-ziele-und-wege/.

 

Facebooktwitter

Be the first to comment on "Democratie, extremisme en partijen verbieden: cui bono?"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten