Het communautaire argument als zwaktebod

Foto door Gérald Garitan [https://commons.wikimedia.org/wiki/User:G%C3%A9rald_Garitan], CC BY-SA 3.0 [https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/deed.en]
Facebooktwitter

Nu de socialisten buitenspel staan en voor het eerst in een kwarteeuw naar de oppositiebanken verwezen zijn, maakt de Belgische federale regering werk van een voorzichtige hervorming van de noodlijdende NMBS, de Belgische spoorwegmaatschappij.

Die is, ondanks haar jaarlijkse dotatie van 3 miljard euro, hopeloos verlieslatend. Voor elke gereden kilometer ontvangt het bedrijf 12 euro overheidssteun. Daarmee is de NMBS één van de duurste spoorbedrijven van Europa.

De Europese Unie vereist dat de spoorwegmarkt tegen 2026 geliberaliseerd moet worden. Er rest dus niet veel tijd meer voor de politiek om het bedrijf competitief te maken, om zo een sociaal bloedbad te vermijden.

De spoorbonden, op kop de Franstalige socialisten, verzetten zich echter met klem tegen de voorgestelde hervormingen. Vooral de beslissingen om een uur per week langer te werken voor hetzelfde loon, en 663 miljoen euro te besparen tegen 2019, ligt hen zwaar op de maag.

Zij voelen zich geruggensteund door de afzwakking van het liberaliseringsprogramma van de Europese Commissie. Volgens de oorspronkelijke beslissing van de Commissie moesten de spoorcontracten worden toegekend middels openbare aanbesteding. Door lobbywerk van de linkerzijde en grote spoorbedrijven als Deutsche Bahn is het nu mogelijk dat overheden alsnog een maatschappij naar keuze aanduiden.

Daarmee blijft de gehele liberaliseringsoperatie dus dode letter: landen die hun nationale spoorwegmaatschappijen niet op tijd competitief gemaakt hebben, zullen immers het spoorcontract aan die bedrijven toekennen. Dat creëert de moral hazard dat politici en stakeholders elke incentive worden ontnomen om hun spoorbedrijven daadwerkelijk te hervormen.

Bovendien mogen overheden tot 2019 spoorcontracten voor 15 jaar toekennen. Vakbonden rekenen erop dat overheden in dat jaar zulke contracten zullen toekennen aan hun nationale spoorbedrijven, zodat de liberalisering de facto tot 2034 wordt uitgesteld.

Tenslotte zijn eventuele nieuwe spelers gebonden aan de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten van de spoorsector, ook al nemen zij nieuwe werknemers aan onder een ander statuut. De bonden hebben er dus alle baat bij om de arbeids- en verloningsvoorwaarden in het paritair comité nog tot minstens 2019 te blokkeren.

Waarom zouden de vakbonden immers instemmen met halfslachtige opsmukmaatregelen, als ze zich toch kunnen onttrekken aan de vrije spoormarkt tot minstens 2034? Tegen dan zijn het gros van de werknemers op pensioengerechtigde leeftijd.

De vakbonden hebben dus een ontzettend sterke onderhandelingspositie. Al staat of valt die strategie met de rol van de socialistische partijen in het scharnierjaar 2019. En daar zit mogelijk de reden van de schijnbare tegenstelling in het vakbondsfront.

De Franstalige vakbonden – zowel de christelijke, socialistische als liberale – hebben immers besloten om te staken op 6 en 7 januari. De Nederlandstalige vakbonden trokken hun stakingsaanzegging voor die dagen eerder in.

Dat er een communautaire breuklijn loopt in het Belgisch syndicalisme is koren op de molen voor zowel de Vlaams-nationalisten als de Franstalige socialisten. De N-VA kan weer het “twee democratieën”-discours van stal halen om te bewijzen dat Vlaamse en Waalse tegenstellingen een federaal België onbestuurbaar maken. De Franstalige socialisten zien hierin bij monde van hun kopman Marc Goblet een Vlaamse syndicale knieval voor het neoliberale project van Bart De Wever. Hiermee kunnen de Franstalige socialisten hun karikatuur van de verraderlijke Vlaamse fascist weer kracht bij zetten: Vlamingen, zelfs de gesyndikeerden onder hen, zijn niet te vertrouwen.

De realiteit is echter complexer. In Vlaanderen spelen de socialistische partijen een figurantenrol. De door broeder- en vadermoorden geplaagde sp.a zakt in de peilingen onder de 15%, en het extreem-linkse PVDA van de charismatische Peter Mertens blijft ruim onder de kiesdrempel van 5%. Het centrumrechtse N-VA laat de concurrentie dan weer ver achter zich, en wordt gepeild op ruim 28% van de Vlaamse kiezers.

Bovendien speelt de regering voormalig Vlaams minister-president en huidige Minister van Werk en Economie Kris Peeters slim uit als liaison met de vakbonden. Peeters is een Vlaamse christendemocraat, teert op een grote populariteit en werpt zich op als het “sociale gezicht” van een schijnbaar centrumrechtse regering.

Dat is een goede tactiek gebleken om de socialistische kritiek op de spoorhervormingen te neutraliseren. Sp.a speelt in Vlaanderen immers geen eerste, tweede of zelfs derde viool. Om aan de macht te kunnen zijn in 2019 mag het dus geen bruggen verbranden met de christendemocraten van CD&V en de liberalen van Open VLD. Alleen een rooms-paarse formatie kan de N-VA in 2019 van de macht houden.

De aanhoudende kritiek op syndicale excessen, het diskrediet van de met de macht geïdentificeerde socialisten, en het schijnbaar oneindige krediet van de N-VA in Vlaanderen noopt de Vlaamse socialisten om niet te hard van leer te trekken tegen Peeters en de liberale minister van Mobiliteit, Jacqueline Galant (MR).

Die dynamiek speelt niet in Wallonië. Daar is de socialistische PS de ongenaakbare grootste partij met ruim 30% van de stemmen. Er is géén centrumrechtse kracht als N-VA in Wallonië, en de extreemlinkse PTB is vertegenwoordigd in de Franse taalgroep van het federale parlement én de parlementen van het Waalse Gewest en de Franstalige gemeenschap.

Dat de federale regering, bevoegd voor de NMBS, geen meerderheid heeft langs Franstalige kant, laat de Franstalige socialisten toe om het spel hard en communautair te spelen, zoals de N-VA dat tussen 2009 en 2014 gedaan heeft, toen de regeringen Van Rompuy, Leterme en Di Rupo geen meerderheid langs Vlaamse kant hadden.

Kortom: in Vlaanderen betekenen méér stakingen op korte termijn minder stemmen voor socialistische partijen en méér krediet voor de N-VA. In Wallonië betekenen méér stakingen een bevestiging van dapper socialistisch verzet tegen “les fascistes du Nord”.

Ook al zijn deze verschillende realiteiten gestoeld op communautaire omstandigheden, Marc Goblet maakt te gemakkelijk een communautaire discussie van de breuk in het vakbondsfront. Elke vakbeweging schaart zich naar de concrete omstandigheden van de relevante politieke ruimte. En in België is dat nu eenmaal de Nederlandstalige versus de Franstalige politieke ruimte. Verschillende omstandigheden vereisen een verschillende tactiek.

Als de vakbonden provinciaal ingedeeld zouden zijn, zou misschien de Luxemburgse vakbond haar stakingsinzegging intrekken, terwijl de Limburgse misschien erg staakbereid zou zijn. Als de vakbond nationaal georganiseerd zou zijn, zouden er misschien helemaal geen stakingen zijn. Kortom, de communautaire breuklijnen in België zijn tot op zekere hoogte arbitrair. En dat weerspiegelt zich in het opportunisme waarmee de communautaire discussie gevoerd wordt.

Men bedient zich maar van etnisch-culturele gevoeligheden naar gelang het men uitkomt. En politiek en media springen daar natuurlijk gretig op in. N-VA hoopt op een verdere vervreemding van bredere lagen van de Franstalige bevolking voor Vlaanderen en haar politieke ruimte, terwijl de Franstalige socialisten vurig hopen dat de anti-rechtse grondstroom in Wallonië overslaat op de Vlamingen, of althans de Vlaamse politieke elites.

Tot die laatsten natuurlijk kunnen deelnemen in de macht. Dan zijn Vlamingen weer hun dikke vrienden en is “solidariteit” een belangrijk bindmiddel om het land samen te houden. Maar waarom is solidariteit dan vandaag geen belangrijk bindmiddel, en binden de Franstalige bonden niet in? Zou het niet getuigen van sterke federale en syndicale solidariteit, om net als de Vlaamse kameraden, de stakingsaanzegging in te trekken? Waarom moeten de Vlaamse vakbonden van hun standpunt wijken, en niet de Waalse? Dit bevestigt alleen maar de karikatuur dat Vlamingen enkel maar Vlamingen mogen zijn, in zoverre dat de belangen van de Waalse socialisten niet schaadt.

Als Goblet dan toch zo’n grote waarde hecht aan de eenheid binnen het vakbondsfront, zou hij dus de staking kunnen uitstellen, en samen met de Vlaamse bonden aan een nieuw plan werken. Dan is de eenheid en de solidariteit binnen de vakbewegingen, over de communautaire en levensbeschouwelijke breuklijnen heen, gered.

Dat dit zelfs niet tot de opties hoort, maar integendeel de Vlaamse bonden worden beschimpt en bespuwd voor hun “verraad”, bewijst dat alles communautair is, en de communautaire dimensie elk debat en elke impuls tot verandering – ten goede of ten kwade – in de kiem smoort.

Belgische conservatieven, die in de regel niet warm lopen voor separatisme, moeten bij zichzelf toch eens ten rade gaan in hoeverre deze strategische stilstand nog strookt met hun idealen.

Belgische progressieven en syndicalisten moeten zich ervan bewust zijn dat Marc Goblet eigenlijk vraagt dat de Vlaamse centrales hun orders ontvangen vanuit Wallonië. Je staat als gesyndiceerd werknemer misschien sterk(er) ten opzichte van je patroon, maar hoe geëmancipeerd ben je werkelijk, als je je orders van de franskiljon ontvangt?

Niet langer de (Franstalige) Vlaamse baas houdt zijn Vlaamse arbeider onder de knoet, maar de Waalse kameraad, zo blijkt. De klassenstrijd is dan tóch een fabeltje?

Bron: La Dernière Heure, Trends

Facebooktwitter

Be the first to comment on "Het communautaire argument als zwaktebod"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten