Over Fabian socialism, pragmatisme en wetenschapsfilosofie

Fabian Society, Foto door Simon Harriyott [https://www.flickr.com/people/50996541@N00], CC BY 2.0 [https://creativecommons.org/licenses/by/2.0/deed.en]
Facebooktwitter

4 januari is een belangrijke verjaardag in de rijke geschiedenis van de socialistische familie. Op die dag in het jaar 1884 werd de revisionistische Fabian Society opgericht in Engeland. De “Fabians” wouden zich onderscheiden van de revolutionaire en orthodoxe marxistische dominante stromingen binnen het socialisme, door te pleiten voor een politiek van gradualisme en communautarisme.

De Fabians hebben de basis gelegd voor de niet-Duitse invulling van de sociaaldemocratie, en zijn daarmee van primordiaal belang geweest voor het succes van het na-oorlogs socialisme in het Westen. Het is mede dankzij de Fabians dat het Westerse socialisme zich zowel ideologisch als politiek heeft kunnen onderscheiden van zowel de bolsjewistische karikatuur in de Sovjet-Unie, als de trotskistische karikatuur in de Derde Wereld.

Het pragmatisme en opportunisme van de Fabians hebben ontegensprekelijk geleid tot het succes van haar ideeën en maatschappelijke invloed. Dat succes wekt natuurlijk argwaan en is een onuitputtelijke bron voor complottheoretici van alle pluimage.

De (voornamelijk Amerikaanse) rechterzijde ziet in de Fabians de voorhoede van een internationale wereldregering, terwijl de (voornamelijk Europese) linkerzijde de Fabians beschouwt als een kapitalistisch paard van Troje, dat de Wereldrevolutie van binnenuit heeft gesaboteerd.

Wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van het Fabische socialisme verwijs ik graag door naar Wikipedia. Voor wie het iets meer mag zijn kan ik “A History of the Fabian Society” van Edward Pease (1916) en “The Story of Fabian Socialism” van Margaret Cole (1961) aanbevelen.

Wie interesse heeft in de complotten van de rechter- dan wel linkerzijde, kan terecht bij respectievelijk Alex Jones en de Vierde Internationale.

Fabianisme is bij uitstek de ideologie van “roeien met de riemen die je hebt.” Fabians waren bijvoorbeeld niet beroerd om de imperialistische diplomatieke wereldmacht van het Britse Rijk aan te wenden om socialistische ideeën te verspreiden in India en de andere kolonies.

Dat Groot-Brittannië niet eeuwig het centrum van de wereld zou zijn en het Rijk op instorten stond, was in 1900 al duidelijk. De Fabians hadden dus geen tijd te verliezen om de unieke positie van het Edwardiaanse Engeland in hun voordeel te gebruiken.

Die strategie staat natuurlijk haaks op die van de Engelse syndicalisten. De geest van de Fabians weerklinkt ook in Lenin’s belangrijke pamflet “Der Linke Radikalismus, die Kinderkrankheit im Kommunismus” (1920) waarin Lenin zich wendt tot de Schotse sociaal-revolutionair Willie Gallagher, die zich niet kon verzoenen met de steun van de Schotse vakbonden voor de “reformistische” arbeiderspartijen. Lenin schrijft: “Wij moeten eerst Henderson of Snowden (sociaaldemocraten) helpen om Llyold George en Churchill (liberalen) te verslaan.”

Het is die neus voor opportunisme en gradualisme die het succes van de Fabians mede verklaart.

Ik zeg mede, want een sterke steun in literaire en academische middens hebben de omstandigheden waarin de Fabians hun ideeën konden omzetten in beleid gevoelig verbeterd. De Fabians konden putten uit de enorme reserve aan wetenschappers die in die periode door de Kroon betaald werden. Geen enkele beweging heeft het vooruitgangsoptimisme en sciëntisme van die tijd zo goed kunnen capteren in een politiek project als de Fabians.

Daarin huist een belangrijke parallel met de wereld vandaag: ook in deze tijd heerst het narratief dat de wetenschap veel, zo niet alle problemen van de mens en de maatschappij kan oplossen. Opwarming van de aarde tot minder dan 2 graden beperken is maar een paar miljard aan belastingen, subsidies en regels verwijderd. Het is slechts een kwestie van tijd voor technologische innovatie groene energie rendabel zal maken. We staan op een boogscheut van de totale ontcijfering van het menselijk genoom, zodat veroudering, en uiteindelijk de dood, tot het verleden behoren.

Afgezien van het feit of ons vertrouwen in ons eigen kunnen ingelost kan worden of niet, is onze maatschappij in de ban van een hernieuwd wetenschappelijk optimisme. En wie zijn de Fabians van onze tijd, die die geest weten vatten in een ideologisch project?

Dat is moeilijk te zeggen. In de eerste plaats is het klimaatprobleem vruchtbare bodem gebleken voor een nationaal en internationaal centralisme. Zelfs de ecomodernisten, die zich uitdrukkelijk verzetten tegen de regeldrift en belastingpolitiek als wapens om ons milieu te redden, dichten een belangrijke rol toe aan de overheden, als primum movens van technologische innovatie. Het lijkt dus erg moeilijk om klimaatwetenschap in al haar vormen te emanciperen van een politiek narratief.

Natuurlijk schurkt zo’n vooruitgangsoptimisme aan tegen elke progressieve beweging die beweert fundamentele wetmatigheden van de realiteit zoals schaarste en onvolledige kennis te kunnen doorbreken. Het is normaal dat wetenschappers die gedreven worden door een utopisch verhaal hun gading (en geld) vinden bij ideologieën die hun utopische bias bevestigen.

Zo liet de Duitse seksuoloog Magnus Hirschfeld zich verleiden door het marxisme en het bolsjewisme: hij bestreed hardnekkig de gangbare rassentheorieën die “bon ton” waren geworden in de hoogste Duitse wetenschappelijke kringen. In zijn boek “Rassismus” (1933) rekende hij af met die pseudo-wetenschappelijke misvattingen. Hij concludeert dat de gangbare racistische inzichten niet gebaseerd zijn op empirie en logica, maar op angst en een gebrek aan individueel en collectief zelfvertrouwen. Hij eindigt zijn betoog met het inzicht dat racisme en xenofobie overal bestaat, zowel in kapitalistische als in primitieve samenlevingen, maar niet in de Sovjet-Unie. Hirschfeld schrijft letterlijk: “Het probleem van nationaliteiten bestaat niet meer op één zesde van de planeet”, waarmee hij op de Sovjet-Unie doelt.

We kunnen exacte wetenschappers in de jaren 30 niet verwijten dat ze naar de Sovjet-Unie gedreven worden, een land dat zich op dat moment uitgaf als baken van wetenschappelijkheid en empirisch onderzoek, tegenover het navelstarende Westen, dat zich schijnbaar vastreed in schijnbaar achterhaalde maatschappelijke dogmata.

Wetenschappers kunnen hun werk kaderen binnen een grotere, immateriële, allesomvattende idee die door het socialisme wordt geboden, en socialisten bouwen maatschappelijk krediet op met het razendsnel werven van cheerleaders uit wetenschappelijke kringen.

Wie ben jij immers, zelfdenkende anti-democratische brompot, om het oneens te zijn met 98% van de wetenschappers?

Terwijl de economische doctrine van het socialisme op zand gebouwd is, en uiteindelijk ook is ingestort, is het socialisme er wel in geslaagd zichzelf een zweem van wetenschappelijkheid toe te eigenen. Die paradox intrigeert en dwingt ons tot reflectie.

Sociologie is tegenwoordig wetenschap. Politieke klimaatwetenschap is tegenwoordig wetenschap. Women’s studies is tegenwoordig wetenschap. Kortom: het socialisme heeft zichzelf de autoriteit toegedicht om het keurmerk wetenschap toe te kennen… en af te nemen.

En die pivotale positie in onze maatschappij en ons denken hebben we in grote mate te danken aan het sciëntisme van de Fabian Society.

Het succes van de Fabians en hun wetenschappelijke hegemonie noopt ons als conservatieven om te sleutelen aan onze eigen wetenschapsfilosofie.

Kunnen we wetenschappers begeesteren met de conservatieve gedachte dat het menselijke Denken en Kunnen eindig is? Sluit de Hayekiaanse wijsheid dat een empirisch onderzoek van de werkelijkheid ons meer vertelt over hetgeen we niet weten dan over hetgeen we wel weten de deur naar de harten van vele mogelijke conservatieve wetenschappers? Waarom leidt de veilige wetenschappelijke haven van de “conservative estimations” niet naar het diepere inzicht over mens en maatschappij dat daarmee verbonden is?

Hebben conservatieven geen opdracht om zich te onderscheiden van het linkse sciëntisme door de wetenschap te onderscheiden van de dominante “willenschap”?

Of moeten we buiten het wetenschappelijke paradigma durven denken en ons niet zo druk maken in het machinatorium van het Kwaad, dat onvermijdelijk tot onze eigen ondergang zal leiden?

Facebooktwitter

Be the first to comment on "Over Fabian socialism, pragmatisme en wetenschapsfilosofie"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten