De conservatieve nuance in het vakbondsdebat

Manifestation en 2010 à Bruxelles contre les politiques d'austérité: CFDT, CGT, ABVV, fin de parcours, dislocation, Foto door Gérald Garitan, CC-BY-SA 3.0 [http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/]
Facebooktwitter

In België woedt in alle hevigheid een belangrijk maatschappelijk debat over syndicale actie en de rol van de vakbewegingen, in het bijzonder hun politieke positie. Platitudes en misvattingen langs beide zijden hypothekeren echter een debat ten gronde.

Sinds 2014 verkeert België in de unieke situatie waarin de socialistische partijen niet zijn vertegenwoordigd in de federale, noch in de Vlaamse regering. Dat historisch unicum is in belangrijke mate te wijten aan een relatief nieuwe onderstroom in Vlaanderen die sceptischer staat tegenover het sociale overlegmodel, de vermeende ongebreidelde macht van de vakbonden, en een uitgekookt leger beroepsstakers.

De syndicalisten daarentegen voelen zich in het nauw gedreven door deze schijnbare “verrechtsing” en enkele centrales schrikken er niet voor terug om bepaalde openbare diensten volledig lam te leggen. In de winter van 2014 kondigde het vakbondsfront, met de socialistische vakbond voorop, een hele resem acties aan tegen de centrumrechtse regeringen. Zij worden daarin gesteund door het Waalse Gewest en de Franstalige Gemeenschapsregering, die soeverein wordt gedomineerd door de socialistische PS, die de hete adem van het extreemlinkse PTB in de nek voelt.

In november 2014 volgden betogingen en stakingen mekaar in ijl tempo op, met een absoluut hoogtepunt op 15 december. Toen ging het land volledig plat. De strijdvaardigheid van de vakbonden erodeert echter het sociaal draagvlak voor de syndicale eisen. Noch de N-VA, die de confrontatie met de vakbonden zoekt, noch de liberale MR en Open VLD, krijgen klappen in de peilingen. In tegendeel, tegen de politieke wetmatigheden in houden de politieke protagonisten van de regering stand. Zelfs Vlaams Belang, die ooit furore maakte met de strijdkreet “staken baat, werken schaadt”, flirt opnieuw met de 12%. De Vlaamse socialisten, communisten en christendemocraten lijken amper te kunnen profiteren van de sociale onrust.

België polariseert dus. Communautaire en economische tegenstellingen weerspiegelen zich in een verscherping van het debat over syndicalisme en het sociaal overleg. Rechts ziet in de vakbonden een soort buitenpolitieke machtskaste die zonder enige aansprakelijkheid onze economie kan gijzelen. Links vreest dat de centrumrechtse regering Thatcher-gewijs de syndicale vrijheid de oorlog heeft verklaard. Maar wat is daar nu eigenlijk van aan?

De eerste claim die we moeten toetsen aan de werkelijkheid is die van de maatschappelijke onderstroom in Vlaanderen. Is de macht van de vakbonden werkelijk zo groot, ongecontroleerd en gevaarlijk als wordt beweerd?

Als we België vergelijken met onze buurlanden moeten we die claim enigszins nuanceren. In vele opzichten heeft Nederland een strenger stakingsrecht dan België. Zo kan er in Nederland niet gestaakt worden vooraleer substantiële onderhandelingen hebben plaatsgevonden, en geen minimale veiligheidsvoorzieningen zijn genomen. De syndicale “vredesplicht” wordt in Nederland dus veel enger en dwingender ingevuld dan in België[1]. De Nederlandse rechtspraak erkent formeel dat het stakingsrecht misbruikt kan worden, en dat schade onder bepaalde omstandigheden wel verhaald kan worden op stakende werknemers én hun vakorganisaties[2]. Dat laatste blijft in België een groot taboe. Sinds het arrest Debruyne van het Hof van Cassatie in 1981 wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen geoorloofde en ongeoorloofde stakingen. Spontane, wilde stakingen, ook al leiden ze tot vernielingen, kunnen niet meer tot ontslag leiden.

Frankrijk heeft dan weer een veel permissiever stakingsrecht dan België. Er is geen enkele wettelijke beperking voorzien, laat staan en wettelijk kader voor syndicale actie. Eender welke syndicale organisatie, of die nu formeel erkend is of niet, representatief is of niet, kan legitiem een staking beginnen. Zelfs een groep van 5 werknemers kan zichzelf tot vakbond uitroepen en zich op het stakingsrecht beroepen om een bedrijf plat te leggen. Bovendien hoeft er geen concrete aanleiding of reden te zijn om te staken. Zelfs preventieve redenen en “uit solidariteit” worden aanvaard als stakingsgronden. Bovendien zijn vakbonden, in tegenstelling tot in België en Nederland, niet gebonden aan de vredesplicht, of enige verplichting om collectieve conflicten te voorkomen. Sterker nog: een Franse werkgever kan vervolgd worden als hij zijn stakende werknemers werkwilligen probeert te overtuigen om toch aan de slag te gaan[3].

De Duitse situatie is genuanceerder. Zo geldt er een absoluut stakingsverbod voor ambtenaren[4], maar hoeven vakbonden geen stakingsaanzeggingen in te dienen om rechtsgeldig te kunnen staken[5]. Het Engelse stakingsrecht lijkt dan weer sterk op het Belgische. Sinds de Trade Union Labor Relations Act van 1992 zijn stakende werknemers beschermd tegen ontslag en kunnen vakbewegingen niet aansprakelijk gesteld worden voor schade veroorzaakt tijdens collectieve actie. In het Verenigd Koninkrijk moet een stakingsaanzegging wel via een stemming gelegitimeerd worden bij de leden van de vakorganisatie[6]. In België beslissen de centrales autonoom, en worden de leden slechts informeel geraadpleegd om het draagvlak in te schatten.

Het grootste verschil met de buurlanden, en de grootste bron van ergernis bij vele Vlamingen, is het gebrek aan aansprakelijkheid. Vakbonden hebben in België een functionele rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat zij slechts als rechtspersoon kunnen optreden in de materies die hen bij wet zijn toegekend. Zij kunnen niet als rechtspersoon door derden worden aangesproken. Dit genereert belangrijke agency- en causaliteitsproblemen. Zo heeft een vakbeweging geen enkele incentive om haar militanten in toom te houden tijdens acties, buiten dan natuurlijk een kerende publieke opinie. En gezien een amokmakende vakbondsmilitant makkelijk kan opgaan in een menigte en vakbewegingen zich vaak niet constructief opstellen wanneer de politie daders probeert op te sporen, kan het gebrek aan rechtspersoonlijkheid dienen als een dekmantel om aan de wet te ontsnappen.

Bovendien voorziet de Wet van 29 mei 1952 en de CEO-wet van 1968 dat enkel “de meest representatieve werknemersorganisaties” kunnen optreden in het sociaal overleg. Zo moeten zij voor het gehele land zijn opgericht, in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn, en ten minste 50.000 leden tellen. Deze stringente regels, alsook het feit dat de bestaande vakbewegingen mee beslissen of een nieuwe organisatie mag toetreden tot de CRB en NAR, maken het onmogelijk voor werknemers om nieuwe syndicale organisaties op het getouw te zetten. Zo oligopoliseren de bestaande vakbonden (de grote 3) de markt voor collectieve onderhandelingen en actie, en vormen zij op die manier een machtig triumviraat wiens geprivilegieerde positie nooit onder druk komt te staan, ongeacht de beslissingen die zij nemen.

Zij staan ook in voor de uitbetaling van de werkloosheidsverzekeringen, die worden gefinancierd door werknemers, werkgevers en de overheid. Bovendien ontvangen zij van de overheid een administratieve vergoeding per werkloze, wat op z’n minst de indruk werkt dat de vakbonden baat hebben bij hoge werkloosheid. Tenslotte worden werklozen die niet bij een vakbond aangesloten zijn vergoed vanuit de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen, die paritair wordt beheerd. Wie bij de Hulpkas aangesloten is, heeft echter vaak een slechtere dienstverlening en moet langer op de uitkering wachten. Dit wekt de indruk dat de vakbonden moedwillig de Hulpkas onderbemannen en trager werken, om werkzoekenden op die manier naar de vakbewegingen te jagen. Op die manier wordt de keerzijde van het recht op syndicale organisatie, namelijk het recht om zich niet syndicaal te organiseren, gevoelig uitgehold.

Ten onrechte meent rechts dat de hegemonie van de vakbonden in de uitbetaling van de werkloosheidsvergoedingen een oude socialistische eis is. Dit is evenwel een misverstand. Bij de invoering van het systeem in 1936 door commissaris voor de werkloosheid Henri Fuss, verzetten de Waalse socialisten zich hevig dit model. De christelijke vakbond was immers groter en had met haar kerkelijk netwerk een grotere kapitaalsbasis om op terug te vallen. Men vreesde dus een uitstroom van leden naar de christelijke vakbewegingen. Dit gebeurde ook. Pas in 1971 werd bepaald dat de uitkeringen niet langer forfaitair waren, maar werden berekend als een percentage van het loon. Zo werden de uitkeringen van alle zuilen gelijkgetrokken, en stond de overheid in voor de bijfinanciering.

De verzuchtingen van de rechterzijde zijn dus legitiem, maar moeten enigszins getemperd worden. Ja, de immuniteit wat betreft aansprakelijkheid en het syndicale oligopolie is een probleem dat best zo snel mogelijk wordt verholpen, maar dat betekent niet dat syndicalisme op zich geen waarde kan hebben in een postindustriële samenleving als de onze.

Die honderden, duizenden bedrijven, waar werkgevers en vakbonden constructief samenwerken, en waar vakbondsafvaardigingen correct problemen op de werkvloer met de directie communiceren komen natuurlijk niet in de media. Dat een werkgever maar met een handvol afgevaardigden moet onderhandelen in plaats van elke werknemer afzonderlijk over loonafspraken en arbeidsomstandigheden, bespaart de directie heel wat onderhandelingskosten. Anderzijds moet het inderdaad veel makkelijker zijn voor werknemers om zich te organiseren buiten het syndicale oligopolie om, en moet hij ook de kans krijgen om zijn voorwaarden af te dwingen buiten de ondernemingsraad of het paritair comité om. Als syndicalisten de emancipatie van de werknemer hoog in het vaan dragen, dan moeten zij hen die bottom-up zelforganisatie gunnen. Tot in de hoogste regionen van het nationale arbeidsoverleg. Zo wordt een vakbond die 100.000 leden zou kunnen verzamelen in Vlaanderen niet als representatief ervaren, wanneer zij niet in Wallonië actief is. Deze communautaire dimensie moet zeker worden geïntegreerd in de nieuwe conceptie van het syndicalisme in de 21e eeuw. Bovendien moet de privatisering of nationalisering van de werkloosheidsvergoedingen bespreekbaar zijn. Dat vakbonden wantrouwig staan tegenover de nationalisering van de werkloosheidskassen druist nochtans in tegen het syndicale mantra dat de overheid geschikter is voor sociale voorzieningen dan de markt. En vakbonden gaan er toch prat op dat ze onafhankelijk staan van de overheid, en dus behoren tot de “markt”?

Tenslotte wil ik nog ingaan op de spoorbonden en de vermaledijde NMBS. De spoorbonden zijn een goedkoop target voor de rechterzijde. Honderdduizenden mensen zijn afhankelijk van dit genationaliseerd anachronisme, en het is dus erg makkelijk om te surfen op de golven van het maatschappelijke ongemak dat gepaard gaat met syndicale actie. Dit gaat echter voorbij aan twee fundamentelere problemen.

Ten eerste zetten we met onze aanval op de spoorbonden het bestuur van de NMBS onterecht uit de wind. Het is te makkelijk om de inefficiëntie van het spoor af te wentelen op de spoorbonden, of godbetert de werknemers. Akkoord, er is een probleem met vrijgestelden, met absurde vakantieregelingen en nepstatuten. Maar dat verklaart de malaise van de NMBS, die ons miljarden euro’s per jaar kost, slechts den dele. Zo ontvangt de NMBS per gereden kilometer 12 euro subsidie. En zelfs dan werken ze nog niet rendabel. Dan is het al te makkelijk voor de vele CEO’s en bestuurders in maatpak om alle problemen af te schuiven op de vakbonden. Een conservatief moet de wenkbrauwen fronsen wanneer riante vakantievergoedingen en uurregelingen eerst worden goedgekeurd, en dan weer ingetrokken zonder compensatie. Pacta sunt servanda.

We moeten een kat een kat durven noemen: de NMBS is rot tot op het bot. Van de directiekamer tot de werkvloer. En misschien zelfs meer de directiekamer dan de werkvloer. Dit bedrijf is fundamenteel ongezond en overleeft enkel op belastinggeld. Het is een machine van valse welvaartscreatie, waar honderden werknemers overbodige en dure jobs uitoefenen.

Vanuit een conservatief oogpunt moeten we niet noodzakelijk de privatisering van het spoor bepleiten, maar op z’n minst een performant financieel beleid. Zo kan voor een conservatief een publieke spoorwegmaatschappij perfect legitiem bestaan, slechts op voorwaarde dat die op z’n minst break-even draait. Om kosten te besparen en performanter te werken, is een doorgedreven liberalisering van het spoor nodig. Dat betekent niet de al even absurde opdeling van de NMBS in de Holding, Infrabel en de spoorverkeersactiviteiten, dat vaak een excuus is om nog meer politiek-benoemde CEO’s en managers te creëren, maar een duidelijke, open markt waar internationale en nationale spelers onder duidelijke regels en afspraken mogen deelnemen aan de vrije markt van het treinvervoer.

Kortom: er zit heel wat afval in het publiek debat over syndicalisme in de 21e eeuw. Beide kampen vervallen te makkelijk in goedkope platitudes en populaire misvattingen. Een conservatieve inslag ontbreekt in het debat en heeft zeker zijn meerwaarde. Conservatieve waarden kunnen nochtans de sleutel tot een mogelijke oplossing bieden: de nationalisering van de werkloosheidsuitkeringen, en de liberalisering van syndicale zelforganisatie tot op het hoogste niveau, los van communautaire vereisten. Bijkomend mogen we ogen niet sluiten voor mismanagement door CEO’s en andere bestuurders, wanneer de vakbewegingen weer eens de boel op stelten zetten. De incompetentie van het leger (overheids)managers is minstens even problematisch als de syndicale excessen.

 


 

 

[1] A. JASPERS, Nederlands stakingsrecht op een nieuw spoor?, Deventer, Kluwer, 2004, 128-134.

[2] F. DORSSEMONT, T. JASPERS en A. VAN HOEK, Cross-border collective actions in Europe: a Legal challenge, Antwerpen-Oxford, 2007, 182, 183.

[3] R. BLANPAIN en R. BEN-ISRAEL, Strikes and lock-outs in industrialized market economies”, 1994, Boston, 55 en 62-63.

[4] Bundesverfassungsgericht, 26 juni 1991, BverfGE 84, 212.

[5] BLANPAIN & BEN-ISRAEL, 67-69.

[6] R. BLANPAIN en A. SWIATOWSKI, The Laval and Viking Cases: freedom of services and establishment versus industrial conflict in the European economic area and Russia, Deventer, Kluwer, 2009, 178-179.

Facebooktwitter

Be the first to comment on "De conservatieve nuance in het vakbondsdebat"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten