Vrije meningsuiting in tijden van terreur

Facebooktwitter

MR, de Belgische Franstalige liberale partij, wil in het kader van de pertinente problemen met radicale moslims in België, de vrijheid van meningsuiting herzien.

Concreet wil de partij de verheerlijking van terrorisme strafbaar stellen. Iemand die “wetens en willens” terroristische misdrijven in het openbaar goedkeurt, poogt te rechtvaardigen of schromelijk minimaliseert, zou dan kunnen bestraft worden tot een gevangenisstraf van één maand tot een jaar en/of een geldboete van 50 tot 1000 euro.

Zo willen de Belgische liberalen dat de politie en het gerecht in het vervolg effectief kan optreden tegen voorvallen zoals de verstoring van de minuut stilte voor Charlie Hebdo en de aanslagen in Parijs in scholen door islamitische kinderen, of het uitbreken van spontane feesten in islamitische buurten. Op dit moment kunnen de scholen enkel overgaan tot een schorsing, en kan de buurten zo’n festiviteiten niet bestraffen, tenzij in het kader van nachtlawaai. Het vieren van een aanslag kan zelfs niet beteugeld worden onder de verstoring van de openbare orde.

Daarmee zou België allerminst een uitzondering in Europa zijn. Het Europees Hof van de Rechten voor de Mens heeft in 2008 geoordeeld dat het vervolgen van meningsmisdrijven niet strijdig is met de vrijheid van meningsuiting zoals vermeld in artikel 10 van het Europees Mensenrechtenverdrag, wanneer die vervolging de verheerlijking van terrorisme behelst (Leroy v. Frankrijk).

Deze zaak betrof evenwel een persmisdrijf. De Franse cartoonist Denis Leroy had daags na de terroristische aanslag van 11 september een cartoon van zijn hand laten plaatsen in het Baskische blad Ekaitza, waarbij de aanslagen werden verheerlijkt.

Leroy v. Frankrijk heeft dus de opening gelaten voor Europese landen om censuur aan te wenden ten aanzien van journalisten en cartoonisten in het kader van de terrorismebestrijding. Dit tot groot ongenoegen van de media. Ten onrechte, want Leroy werd veroordeeld voor verheerlijking van het terrorisme (“Nous en avions tous rêvé, le Hamas l’a fait”), niet voor enig journalistiek of artistiek-spottend werk. Rechtsgeleerden zoals Dirk Voorhoof lezen in dit arrest ten onrechte een beknotting van de vrije meningsuiting van cartoonisten. Nochtans creëert het arrest geen enkele ruimte voor de bestraffing van satirische commentaar op terreur, zoals we bijvoorbeeld kennen van Charlie Hebdo.

In dat opzicht vormt Leroy v. Frankrijk dus géén uitzondering op de vaste rechtspraak van het Hof inzake beknottingen van persvrijheid. Zo verbreekt het Hof consequent de uitspraken van Turkse rechtbanken die Koerdische journalisten en columnisten bestraffen omwille van separatistische geschriften, terwijl dweperijen met terreuraanslagen van de PKK zelden door het Hof worden behandeld.

Dan rest ons nog de vraag in hoeverre de journalistieke/mediatieke context van Leroy en Ekaitza kan worden geëxtrapoleerd naar  het gehele publieke debat. De controversiële Britse Terrorism Act van 2006 is bijvoorbeeld niet vernietigd door het EHRM. Die wet stelt namelijk de publieke verheerlijking van terrorisme strafbaar. Hoewel de wet niet stipuleert of het over publicaties gaat, dan wel over uitingen in de publieke ruimte, zoals op sociale media, stuurden de Britse openbare ministeries aanbevelingen naar de krantenredacties om in het kader van de nationale veiligheid geen verheerlijkingen van terreur af te drukken. Zo wordt toch op z’n minst de indruk gewekt dat het hier zou gaan om een strikte lezing van de rechtspraak van het EHRM.

Ook het wetsvoorstel van MR lijkt niet te stipuleren welke publieke ruimte precies bedoeld wordt. Gaat het enkel om artikels en opiniestukken in nieuwsmedia? Of worden ook blogs, reactiefora en sociale media geviseerd? Het is voorlopig nog koffiedik kijken of zo’n ruim toepassingsgebied door de filter van de vigerende Mensenrechtenwetgeving zal geraken.

MR lijkt hoe dan ook de bal compleet mis te slaan. De zwakte van het voorstel ligt erin dat het extremisten aanmoedigt om zich niet publiek kenbaar te maken als extremist. Dat is namelijk de inherente waarde van de vrije meningsuiting.

De vrije meningsuiting bestaat er niet ter bescherming van de mening of diegene die hem uit, maar ter bescherming van de vrijheid. In een diverse samenleving met veel botsende meningen en levensvisies heeft iedereen er alle baat bij dat meningen die mogelijk een gevaar opleveren voor de persoonlijke en sociale integriteit zo snel mogelijk publiek worden gemaakt. Dat laat ons, zowel als individu als als samenleving, toe om zulke gevaren in de kiem te smoren.

Een extremist wil immers gehoord worden. Hij beschikt dus over belangrijke prikkels om zijn mening kenbaar te maken. Dat zijn mening een gevaar betekent of zou kunnen betekenen voor onze normen en waarden noopt ons dus om die persoon niets in de weg te stellen om ons van zijn ideeën en plannen te informeren.

Het schoolvoorbeeld in deze is de woelige periode van de Engelse Burgeroorlogen in de 17e eeuw, ons overgeleverd in het werk “Freedom of the Press in England 1476-1776” van Frederick Siebert. Met de opkomst van de boekdrukkunst in het Engeland van de 16e eeuw en de versplintering van het christendom kwam een enorme boek- en pamfletmarkt tot grote bloei. Aan het begin van de 17e eeuw telde Londen een honderdtal drukkers en boekhandelaren, de grootste densiteit aan mediatieke activiteit ter wereld op dat moment.

Begin 17e eeuw was de productie van boeken en pamfletten nochtans erg duur. Door de opkomst van nieuwe, goedkopere druk- en bindtechnieken vonden revolutionaire geschriften goedkoper, makkelijker en in grotere oplagen makkelijker hun weg naar de massa. Zo werd het steeds moeilijker voor de Stationer’s Register, de gilde van drukkers en boekbinders die het monopolie op publicatie en verspreiding van geschriften bezat, om haar monopolie te handhaven. De Register, die haar monopolie onttrok aan een koninklijk privilege uit 1577, functioneerde daarenboven als voornaamste censor. Aangezien gildeleden van de Register hun eed van trouw in de handen van de Tudors hadden afgelegd, was het onmogelijk om pro-Stuart, katholieke, of republikeinse literatuur te publiceren.

Die ongewenste literatuur werd dus goedkoop en doeltreffend in het buitenland, of in geheime drukkerijen gedrukt en verdeeld aan de bevolking, zonder dat de machthebbers een goed beeld hadden van de verschillende revolutionaire facties en hun aanhang. Er was immers geen informatie bekend over exacte oplagen, wie wat precies las, en wat er precies geschreven stond.

Door de strakke censuur had de ondergrondse journalistiek zich bekwaamd in haar heimelijke opzet, zodat de koning en zijn entourage de facto machteloos stond tegenover de revolutionairen. Na de Burgeroorlogen en de Glorious Revolution was het tijdperk van de censuur ten einde. In 1694 weigerde het Parlement om het privilege van de Register te verlengen, en in 1709 werd de censuur afgeschaft, en het auteursrecht beperkt tot slechts 14 jaar, waarna de werken in het publieke domein zouden terecht komen.

Deze politiek is eerder een zegen voor de machthebbers dan voor de revolutionairen gebleken. Aangezien alle meningen nu vrijelijk konden worden verspreid en verkondigd, had het geen zin meer om ondergronds te gaan.  Het werd nu veel makkelijk voor de koning en zijn entourage om kennis te nemen van elke min en onmin ten lande. Sindsdien zijn oorlogen op Engelse bodem uitgebleven.

Een soortgelijk verhaal horen we in de Verenigde Staten, een land dat vol liep (en loopt) van de religieuze fanatici. Door een in de grondwet gegarandeerde vrije pers en een hoge debatcultuur is het land nooit ten prooi gevallen aan politiek extremisme. Ook in Frankrijk kwam met het einde van de censuur in 1871 een abrupt einde aan een lange eeuw van revolutie en contrarevolutie.

Een soortgelijke analyse dienen we vandaag te maken met het oog op het islamisme. Het strafbaar maken van meningen zal niet beletten dat die meningen worden gedacht, of dat men ermee aan de slag zal gaan. Het zal enkel die mening een forum ontzeggen waar conflicterende meningen (wij dus) er geen akte van kunnen nemen en er op kunnen ingaan. Men ontmantelt dus als het ware het maatschappelijk debat, en de sociale kennisname van mogelijk schadelijke excessen in onze samenleving.

Het bewijst ook hoe zwak het vertrouwen van de liberaaldemocraten is in de basiswaarden van de liberale democratie, en hoe gering hun kennis over de bedoeling ervan. Misschien voelen deze jarenlange apologeten van de “islam als vredesreligie” de bui wel hangen, en willen ze het valse axioma van de “gematigde meerderheid” in tact te houden? Alsof het beeld dat de politiek decennialang van de islam heeft opgehangen, koste wat het kost in stand moet worden gehouden. Ook al moeten daar fundamentele vrijheden voor worden opgeofferd.

Want met censuur worden wij immers afgesloten van de reële haat voor onze waarden die leeft in gemeenschappen die onder ons zijn, terwijl het die haatgevoelens helemaal niet ontmoedigt. Integendeel zelfs. Het kan niet de bedoeling van de staat zijn om haar burgers te verbieden kennis te nemen van het bestaan en de troepensterkte van revolutionaire krachten die ons en onze waarden naar het leven staan. Deze censuur beknot dus niet de rechten van de extremisten, maar de rechten van onze eigen bevolking om op de hoogte van vijandigheden te blijven!

Vrijheid is geen luxeproduct waar we in tijden van tegenspoed op moeten beknibbelen. Vrijheid is een wapen dat moet aangewend worden om tegenspoed en onvrijheid te bekampen… en te vernietigen!

Facebooktwitter

Be the first to comment on "Vrije meningsuiting in tijden van terreur"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*


Door de site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of als u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten